Om de vrijheid
Liberaal Manifest

Inhoudsopgave

TEN GELEIDE
VOORWOORD
INLEIDING
1) DEMOCRATIE
 
STAAT EN BURGER, BURGER EN STAAT
 
NATIONALE DEMOCRATIE
 
 
RECHTSTREEKS GEKOZEN MINISTER-PRESIDENT
 
 
VERSTERKING WETGEVENDE MACHT
 
 
VERSTERKING CONTROLERENDE MACHT
 
REFERENDUM
 
 
LOKALE, REGIONALE EN EUROPESE DEMOCRATIE
 
 
LOKALE DEMOCRATIE
 
 
REGIONALE DEMOCRATIE
 
 
EUROPESE DEMOCRATIE
2) VEILIGHEID
 
DEFENSIE
 
DE RECHTSSTAAT
 
 
Rechtshandhaving 
 
 
Terrorisme 
3) VRIJHEID
 
GRONDRECHTEN
 
ECONOMIE
 
 
De staat als marktmeester, terreinknecht en medespeler
 
 
Arbeid
 
 
Fiscaal beleid
 
INDIVIDU EN SAMENLEVING
 
 
Verantwoordelijkheid nemen
 
 
Sociale cohesie
 
 
Landschap, natuur en milieu
 
 
Kunst en cultuur
4) BURGERSCHAP
 
IDENTITEIT, IMMIGRATIE, INTEGRATIE
 
 
Nationale identiteit
 
 
Immigratie
 
 
Integratie
 
 
Religie
 
ONDERWIJS EN OPVOEDING
5) DE PARTIJ
 
Het politieke personeel
 
Gekozen partijvoorzitter
 
Pluriforme partij
HET LIBERALE KOMPAS
BIJLAGE
 
SAMENSTELLING COMMISSIE LIBERAAL MANIFEST
 
BEGINSELVERKLARING VAN DE VVD
 
 
ARTIKEL 1, De grondslag van de VVD
 
 
ARTIKEL 2, De mens
 
 
ARTIKEL 3, De samenleving
 
 
ARTIKEL 4, De vrijheid
 
 
ARTIKEL 5, De rechten van de mens
 
 
ARTIKEL 6, Ontplooiing door onderwijs
 
 
ARTIKEL 7, De sociale markteconomie
 
 
ARTIKEL 8, De plaats van de arbeid
 
 
ARTIKEL 9, De democratische rechtsstaat
 
 
ARTIKEL 10, De constitutionele monarchie in Nederland
 
 
ARTIKEL 11, De taak van de overheid
 
 
ARTIKEL 12, De internationale rechtsorde

TEN GELEIDE
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

"De vrijheid bestaat erin te mogen doen wat de rechten van een ander geen schade toebrengt", aldus artikel 4 van de Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger uit 1789. Dit is de kern van de Verlichting, de kern van het liberalisme. Liberalen verwerpen alle beperkingen die het individu beletten zich geestelijk en materieel te ontwikkelen voorzover het daarmee niet de vrijheid en het geluk van de medemens aantast. Liberalen richten zich met volle overtuiging op het individu, maar niet zonder een beroep te doen op wederzijdse verplichtingen van burgers. We zijn vrij in verantwoordelijkheid. Het liberalisme gelooft in mensen. Hierbij biedt het Hoofdbestuur met groot genoegen de definitieve tekst van het Liberaal Manifest 2005 aan de partij aan. Een belofte uit de achttien aanbevelingen uit het rapport "Idee voor structuur" is ingelost.

Graag danken wij al diegenen ­ en het waren er zeer velen ­ die de commissie inspireerden met hun opvattingen en suggesties. Dank ook aan al die deelnemers die bijdroegen aan het historische congres van 27 en 28 mei in Groningen. Twee dagen lang hebben we de ideeën- en debatpartij aan het werk gezien. In het bijzonder dank ik Geert Dales en de andere commis- sieleden voor hun grote inzet. De commissie Liberaal Manifest is in het voorjaar van 2004 ingesteld en kreeg - met als uitgangspunt onze beginselverklaring - als opdracht onder meer mee: "Geen slappe thee", wees uitdagend, helder en onderscheidend. De commissie is hierin ruimschoots geslaagd. De leden hebben gekozen voor vernieuwende, spraakmakende en heldere liberale ideeën.

Het Liberaal Manifest ligt nu voor. Een tekst waarmee het liberalisme in Nederland vooruit kan, zijn kracht en vitaliteit toont. Waarmee de VVD zich profileert als ideeën- en debatpartij. Een partij met hedendaagse opvattingen, met keuzes die ons onderscheiden van anderen: leidend in het debat. Debat voor, met en door iedereen die het liberalisme is toegedaan. Niet alleen voor de spraakmakende elite, maar ook voor potentiële kiezers.

Deze tekst is geen "dode" letter, maar we zullen ernaar handelen. Als bouwsteen voor een nieuw verkiezingsprogramma, als inspiratiebron voor de dagelijkse politiek. En het debat over ideeën houdt niet op. Zoals afgesproken krijgt het vastgestelde Liberaal Manifest via visiedocumenten een vervolg op een aantal thema"s. En zo hoort het. Dit alles omwille van de vrijheid.

Jan van Zanen

partijvoorzitter

Amstelveen, september 2005 05

VOORWOORD
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Politieke partijen moeten zich van tijd tot tijd bezinnen op hun grondslagen en beginselen en zich, met een zekere distantie tot de dagelijkse praktijk van het politieke handelen, afvragen tot welke keuzen die grondslagen in belangrijke actuele en toekomstige vraagstukken moeten of kunnen leiden. Om die reden heeft het Hoofdbestuur van de VVD in het voorjaar van 2004 besloten een commissie in te stellen met als opdracht een nieuw Liberaal Manifest te schrijven "dat verder kijkt dan een verkiezingsprogramma en vanuit de liberale idealen een visie op de toekomst geeft".

De commissie kreeg zowel thematisch als methodisch de vrije hand. Bij de keuze van de onderwerpen die in het manifest een plaats moesten krijgen, heeft de commissie zich, behalve door de eigen gedachten, laten inspireren door de vele VVD"ers die per e-mail, fax, brief of mondeling hun suggesties en voorstellen aan ons voorlegden. Ook de Ideeëndag van 11 september 2004 in Ede was een grote stimulans. Daarnaast heeft de commissie zelf allerlei mensen benaderd met het verzoek om suggesties, informatie of een kritisch oordeel.

Gekozen is voor een opzet waarbij een aantal thema"s wordt benoemd die cruciaal zijn voor liberale politiek. Via die thema"s ­ democratie, veiligheid, vrijheid en burgerschap ­ komen we bij een aantal leidende beginselen: vertrouwen, verantwoording, decentralisatie, legitimiteit en individuele verantwoordelijkheid. Bij de verdere uitwerking wordt zoveel mogelijk op deze beginselen teruggegrepen, zodat duidelijk wordt welke redenering aan een voorstel ten grondslag ligt.

Dit manifest bevat geen uitputtende opsomming van alle relevante onderwerpen. Het is een keuze van de commissie, waaruit niet mag worden afgeleid dat wat niet aan de orde komt onbelangrijk zou zijn. Ondanks deze beperking is het toch nog een vrij omvangrijk stuk gewor- den. Geheel tegen de hedendaagse trend in, is dit geen tienpuntenplan of een manifest van enkele A4-tjes geworden. Integendeel. U zult er even voor moeten gaan zitten. Als wij dat al niet meer zouden kunnen vragen van de hedendaagse liberaal, waarop zou dan diens pretentie rusten te weten hoe de samenleving moet worden ingericht? Daarvoor en daarover moet goed worden nagedacht. Dat afdoen in vijf of zes pagina"s is een onverantwoordelijke en irreële versimpeling van de complexe werkelijkheid.

De Algemene Ledenvergadering van 27 en 28 mei 2005 in Groningen heeft niet alleen dit manifest vastgesteld, maar tevens besloten om in aanvullende documenten onderwerpen uit het manifest verder uit te diepen en nieuwe thema"s aan te snijden. Het manifest heeft zo de basis gelegd voor een verdere, permanente discussie over de toekomst van het liberalisme en de liberale vrijheidsstaat.

Graag wil ik allen bedanken die de commissie hebben geholpen. Wij hebben ons werk met veel plezier gedaan en hopen dat de uitkomst ervan velen in en buiten de VVD zal stimuleren en inspireren tot debat. Dat debat kan overigens niet vrijblijvend zijn. De VVD weet zich ver- antwoordelijk voor de toekomst van het Nederlandse liberalisme.

Geert Dales

voorzitter Commissie Liberaal Manifest

Den Haag, september 2005

INLEIDING
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

"Denk over de vrijheid niet lichtvaardig. De meeste staten van Europa hebben hun vorming te danken aan een beginsel van heerschappij. Er zijn er maar enkele, die aan een strijd om vrijheid hun bestaan en wezen danken. Een ervan is Nederland. Vrijheid, hoe dan ook verstaan, is de gist van onze natie geweest."

Johan Huizinga, Nederland's Geestesmerk (1934)

Nederland in 2005: ruim zestien miljoen mensen samenlevend in een rivierdelta ­ kinderen en volwassenen, in steden en dorpen, op werk, school of thuis. Zestien miljoen mensen met hun verledens, hun verlangens en zorgen, hun plannen voor de toekomst. Dankzij de moderne vrijheid kunnen ze binnen de grenzen van de wet zelf hun leven inrichten. Dat gaat de Neder- landers goed af. Gemiddeld zij wij tevreden tot zeer tevreden over ons eigen leven, zo blijkt uit onderzoek.

Maar dit beeld vertoont barsten. Tegelijk zijn de Nederlanders ontevreden over de samenleving als geheel. De regelzuchtige overheid wordt met wantrouwen bezien, criminaliteit en terrorisme boezemen angst in, de volle wegen en verloederde openbare ruimte zijn een bron van ergernis, de immigratie leidt tot spanningen. Dit vertrouwde gemopper wint aan kracht. Nieuw zijn de geluiden dat de individuele vrijheid zelf onder druk staat. Het vrije woord wordt bedreigd, de democratie ondermijnd door politiek geweld. Behalve ontevredenheid en wantrouwen is er verwarring. Ook dat tekent Nederland anno nu.

De Volkspartij voor Vrijheid en Democratie, opgericht in 1948, wil met dit Liberaal Manifest de nieuwe situatie verkennen en een opening bieden naar de toekomst. Van doormodderen naar hernieuwd elan, van somberte naar trots en kracht.

Het verlangen naar vrijheid is de grondslag van onze natie. De oorsprong van ons land ligt niet in een ongrijpbaar ver verleden ­ zoals in het geval van Engeland of Frankrijk. Ook werd het land niet door een krachtige wil van bovenaf aaneengesmeed ­ zoals Duitsland of Italië. Nee, ons land werd eind zestiende eeuw geboren uit de taaie, gezamenlijke inspanning om de vrij- heid te ontworstelen aan het gezag van een tirannieke Spaanse koning. Vrijheid en tolerantie ontstaken het licht van onze Gouden Eeuw. Dankzij die twee was het wonder mogelijk van een land, bewoond door amper twee miljoen mensen, dat in ondernemingszin, cultuur, weten- schap en politiek-filosofische wijsheid ieder ander Europees land ver achter zich liet.

De vrijheid waar het bij de geboorte van onze natie om ging, was een andere dan die van later eeuwen. Het was geen vrijheid die in een roes van toekomstvertrouwen werd gevierd, zoals in de Franse Revolutie. Het was een vrijheid zonder opdringerigheid, pathos of triomfalisme, een vrijheid die paste bij een land "van kleine gebaren" waar ieder, vanaf de boer tot de baron, vooreerst "burger" was. Deze bescheiden vrijheid vormt tot op heden het hart van de natie. Het is dus niet verwonderlijk dat liberale politici onze staat en onze samenleving hebben vormgegeven. Christen-democraten en sociaal-democraten hebben er vanzelfsprekend aan bijgedragen. Maar het christelijk geloof en de sociale bekommernis, de leidende beginselen van die beide andere hoofdstromingen in de nationale politiek, hebben de Nederlandse vrijheid eerder begeleid en omringd, dan naar de kroon gestoken.

Het was de liberaal Van Hogendorp die het in 1813 ontstane Koninkrijk voorzag van een grondwet die de brug kon zijn tussen heden en verleden. Het was de liberaal Thorbecke die in 1848 de parlementaire democratie inrichtte op de manier die wij nog kennen. Ook de eerste sociale wetgeving kwam eind negentiende eeuw onder liberale inspiratie tot stand. Aan de inspanningen van christen-democraten en sociaal-democraten danken wij de politieke eman- cipatie van de calvinistische "kleine luyden", van het rooms-katholieke "volksdeel" en van het arbeidersproletariaat. Maar de liberale conceptie van het staatsburgerschap heeft een belang- rijke bijdrage betekend die deze emancipatie heeft mogelijk gemaakt en heeft ­ toen zowel als nu ­ mede het einddoel bepaald: de opname van achtergestelde groepen binnen die in wezen burgerlijk-liberale Nederlandse samenleving.

Ook in de recente geschiedenis zijn liberalen steeds wegbereiders geweest. De uitdijende verzorgingsstaat met zijn uitwassen, zoals de grootschalige uitkeringsfraude, werd al decennia geleden door liberale politici aan de kaak gesteld. Het waren liberalen die al vroeg waarschuw- den tegen het eenzijdige volkshuisvestingsbeleid, dat verantwoordelijk is geweest voor segregatie en gettovorming in oude stadswijken. Toen liberalen pleitten voor veiligheid en meer blauw op straat, werden zij met de vinger nagewezen als vertegenwoordigers van "law and order". Inmiddels beschouwen alle politieke partijen veiligheid als hoogste prioriteit. Toen immigratie en integratie nog taboeonderwerpen waren, onderkenden liberale politici dat de ongereguleerde instroom van asielzoekers en de kritiekloze omarming van de multiculturele samenleving tot grote problemen zouden leiden. Hun voorstellen voor verplicht Nederlands en verplichte inburgering werden met hoon overladen, maar hun gelijk is nu algemeen erkend. Steeds waren liberalen de vernieuwers en hervormers.

De zeeën gaan hoog. Opnieuw moeten grote groepen buitenstaanders worden ingevoegd in onze burgerlijk-liberale orde. Dat zet de liberale beginselen van vrijheid van meningsuiting, gelijkwaardigheid van man en vrouw, het verbod op discriminatie en de scheiding van Kerk en Staat onder een voor de huidige generaties ongekende druk. Bovendien worden wij gecon- fronteerd met het veel wezenlijkere probleem van een aanpassing van die liberale orde zelf aan geheel nieuwe omstandigheden. Traditionele concepties van de staat, van soevereiniteit, van legitimiteit en van de relatie tussen burger en staat wankelen in een wereld van globalise- ring, van soevereiniteitsoverdracht aan bovenstatelijke organisaties, van netwerken en infor- matisering.

Opnieuw zal het liberalisme vorm weten te geven aan de samenleving. Opnieuw zullen liberalen opstaan die de moed hebben taboes te doorbreken, die op de bres springen voor het behoud van onze vrijheid. Dit Manifest wil zulke liberalen ­ in of nog buiten de VVD ­ uitnodigen en aanmoedigen.

De eerste opgave is een herinrichting van de staat. Daar ligt de sleutel tot behoud van de vrijheid. Zonder staat geen burgerlijke en politieke vrijheid, geen vrije markt, geen goed geor- ganiseerde samenleving, geen openbare orde. De liberale vrijheid moet daarom soms worden veroverd op, soms met de staat.

Nederland heeft nooit echt afscheid genomen van zijn regenteske traditie. Daardoor is on- voldoende duidelijk geworden dat de Staat van en voor de burgers is. De Nederlandse staat is ook geen star staketsel, maar een dynamisch gegeven waarin wij na ampele overweging dingen kunnen wijzigen, volgens de vastgestelde democratische spelregels, dus gezamenlijk. Democratisch is de staat pas als alle burgers in vrijheid gelijkelijk invloed kunnen uitoefenen, zowel op de spelregels zelf als op de toepassing ervan. Dat vereist, behalve de individuele vrijheid, dat ieder actief èn passief kiesrecht heeft alsmede het recht om informatie te krijgen èn te geven. Die zekerheden geven mede het vertrouwen van de burgers in de staat. Recentelijk is echter het vertrouwen in "de overheid" sterk afgenomen; ter indicatie, volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau daalde het van 65 procent in 2000 naar 30 procent in 2003. De VVD beschouwt dit gebrek aan vertrouwen van de burgers in de staat als het grote politieke probleem van onze tijd. Daarom gaat het eerste hoofdstuk van dit Manifest over de Democratie.

De staat heeft niet alleen in relatieve zin gezag verloren aan steeds mondigere burgers, maar ook in absolute zin. Het monopolie op de collectieve vormgeving van onze moderne samen- levingen is hij kwijtgeraakt aan de internationale dynamiek van woorden, geld en wetenschap. Dat monopolie wint hij ­ gelukkig ­ niet meer terug. Daarentegen mag de staat zich in geen geval het monopolie op het gebruik van geweld laten ontglippen. Daarmee zou hij niet alleen zijn gezag verliezen, maar zijn bestaansrecht. Een staat die de veiligheid van zijn burgers niet kan beschermen, kan geen aanspraak meer maken op vertrouwen, noch op respect voor de wet. Daarom gaat het tweede hoofdstuk over Veiligheid.

Pas binnen een staat die zowel democratisch als veilig is, kan de Vrijheid van het individu gestalte krijgen ­ ieders individuele en economische vrijheid. Ze biedt de ruimte voor een ondernemende samenleving waarin creativiteit en vernieuwing de basis vormen voor welvaarts- toename. Vrijheid is het overkoepelende onderwerp van hoofdstuk drie. Daarin aandacht voor de individuele grondrechten, voor economie, arbeid en belastingzaken, voor milieu, kunst en cultuur, en voor het antwoord op de vraag waarom het liberale individualisme wezenlijk sociaal is. Het vierde hoofdstuk, Burgerschap, gaat in op de relatie tussen gemeenschap en burger, vanuit het perspectief van de laatste. Daarin stellen we de vraag welke mensen aan onze democratische vrijheid mogen meedoen (immigratie), hoe kinderen of nieuwkomers deel kunnen worden van de gemeenschap van burgers (onderwijs, opvoeding, inburgering) en wat die zestien miljoen mensen mogelijk bindt. Wat maakt ons tot één volk? Wij houden in Nederland niet van dat woord, maar toch zijn wij, als het erop aankomt, met reden trots op de Nederlandse natie. Dat gedeelde besef van saamhorigheid en vrijheid moeten we niet laten verdampen.

In het slothoofdstuk komt de Partij aan de orde: met de liberale herwaardering van staat en democratie zal de bestaande partijstructuur aan kracht moeten winnen ­ en ook de VVD zal zich daarop moeten inrichten.

1) DEMOCRATIE
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

STAAT EN BURGER, BURGER EN STAAT
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Alle westerse democratieën, inclusief de onze, verkeren in een legitimiteitscrisis. De belang- rijkste oorzaak is dat de afstand tussen hoe macht formeel moet worden uitgeoefend en hoe het er in de praktijk aan toe gaat steeds groter geworden is. Niet langer is het publieke en voor iedereen zichtbare debat tussen regering en parlement beslissend voor de uitoefening van de politieke macht. Formeel ligt daar wel het centrum van de macht, maar in werkelijkheid heeft die macht zich verplaatst naar departementale bureaucratieën, ambtelijke diensten, naar een onoverzichtelijk labyrint van zelfstandige bestuursorganen, adviesorganen en maatschappelijke organisaties. De politieke macht, de staat, is gefragmenteerd.

Dat heeft twee, voor de democratie desastreuze, gevolgen gehad. In de eerste plaats leidt versnippering van macht tot verlies aan samenhang in de publieke besluitvorming en daarmee tot verlies aan macht. In de tweede plaats is versnipperde besluitvorming over publieke zaken ondoorzichtig en wekt deze bij de burger de indruk dat hij is overgeleverd aan willekeur en onvoorspelbaarheid. Vandaar dat het vertrouwen van de burger in de overheid in alle westerse democratieën in de laatste decennia sterk is afgenomen. Vandaar ook die legitimiteitscrisis. Opvallend is dat er inmiddels al meer functionele bestuurslichamen zijn dan de 467 gemeenten in ons land en dat de besturen daarvan bijna allemaal worden benoemd, vaak via coöptatie.

Van democratische controle is daar nauwelijks tot geen sprake. Deze functionele bestuurs- lichamen voeren niettemin belangrijke publieke taken uit waarmee vaak enorme bedragen zijn gemoeid. Denk aan de uitvoering van de sociale zekerheid. In deze bestuurlijke wirwar stelt de staat zich op als een speler temidden van vele. Het is tijd om de bezem door de wildgroei aan bestuurslichamen te halen en terughoudend om te gaan met de oprichting van nieuwe. Zo moeten alle zelfstandige bestuursorganen tegen het licht gehouden worden en beoordeeld op de vraag of ze echt nodig zijn of dat ten onrechte een rechtstreekse bestuurlijke verantwoor- delijkheid wordt ontlopen. Er moet een afwegingskader komen waaraan bij iedere voorgenomen oprichting van een ZBO kan worden getoetst of die oprichting voldoet aan daaraan te stellen voorwaarden inzake nut en noodzaak. Alle ZBO"s zouden moeten vallen onder de directe ministeriële verantwoordelijkheid, tenzij ze geen taken uitvoeren namens de staat.

De burger wil goed gerepresenteerd en goed bestuurd worden. Hij wil niet overal over mee- praten, maar moet wel weten dat de zaken goed geregeld zijn, dat hij niet belazerd wordt en dat bestuurders zich naar behoren verantwoorden. Bij de huidige sterke fragmentatie van publieke besluitvorming, desintegratie van de staat en onduidelijke verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden kan de burger onmogelijk nog het gevoel hebben dat zijn belangen goed worden gediend, laat staan dat hij er enig zicht op heeft.

Deze diagnose leidt tot de conclusie dat er nieuwe macht moet worden gepompt in onze bestaande politieke systemen. Ook moeten de controlemechanismen op de uitoefening van die macht worden aangescherpt. Pas als aan die beide voorwaarden is voldaan kan de burger er zeker van zijn dat het politieke systeem echt in staat is om vorm te geven aan de samen- leving en dat dit gebeurt zoals hij wilde en zonder dat er ruimte is voor machtsmisbruik en bestuurlijke inefficiëntie.

Sinds de invoering van het algemeen kiesrecht in 1917 en het kiesrecht voor vrouwen in 1919 kiezen de Nederlanders hun politieke vertegenwoordigers rechtstreeks. Deze krijgen voor een bepaalde periode het vertrouwen en kunnen op hun woorden en daden worden afgerekend. De kiezer geeft, de kiezer neemt, soeverein als de zee. Dit representatieve stelsel werkt alleen goed als burgers weten dat hun stem telt en zij adequaat worden vertegenwoordigd. Het vereist dat verkiezingen gaan om de politieke macht.

NATIONALE DEMOCRATIE
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

De VVD bepleit een versterking van zowel de wetgevende en controlerende macht (het legis- latief) als van de uitvoerende macht (het executief). Dat klinkt paradoxaal, maar de geschie- denis leert dat versterking van de één automatisch versterking van de ander betekent. In de negentiende eeuw heeft de vergroting van de greep van de burger op de staat die laatste juist sterker gemaakt dan hij tevoren ooit was. Daardoor konden voor de burger dingen geregeld worden die daarvoor geheel ondenkbaar waren. Dat is het wonder van de politieke macht: vergroting van de macht van de één is vaak voorwaarde voor vergroting van de macht van de ander. Het tegendeel is ook waar. Verzwakking van de één leidt tot verzwakking van de ander. Dat is precies wat de afgelopen decennia met de democratieën in West-Europa is gebeurd. Dat heilloze proces wil de VVD tot staan brengen.

RECHTSTREEKS GEKOZEN MINISTER-PRESIDENT
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Invoering van de gekozen minister-president kan de uitvoerende macht versterken. Er komt immers een rechtstreeks mandaat van de kiezer voor de gekozen premier. Dat er een probleem is met de uitvoerende macht blijkt wel uit de recente oproep van politieke partijen om bij landelijke verkiezingen vooraf duidelijkheid te geven over wie kandidaat-premier is. Vreemd is de situatie dat kiezers massaal op de nummer 1 van een lijst stemmen en uiteinde- lijk, als die partij ook de grootste wordt, een hele andere persoon, die misschien niet eens op de lijst stond, als formateur en regeringsleider zouden kunnen krijgen. Wat op lokaal niveau wordt overwogen kan ook op nationaal niveau: een direct gekozen minister-president. Dat sluit goed aan bij het feit dat de premier in de praktijk al lang niet meer de eerste onder zijns gelijken is, maar echt de regeringsleider. Diens optreden bij Europees topoverleg illustreert dat goed.

Bij verkiezingen worden aan de kiezer twee formulieren voorgelegd. Op het eerste stembiljet kiest hij voor een partij. Op het tweede voor een minister-president van het nieuw te vormen kabinet. Men kan zich verkiesbaar stellen voor zowel de Tweede Kamer als voor het minister- presidentschap, of voor een van beide. Het staatshoofd wijst de minister-president aan en draagt deze op een kabinet te vormen dat kan rekenen op het vertrouwen van de Kamer.

VERSTERKING WETGEVENDE MACHT
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Met dit mandaat op zak staat de regering sterker tegenover het parlement. Om hier tegen- wicht te kunnen bieden ­ geen macht zonder tegenmacht ­ bepleit de VVD een dubbele versterking van het parlement ten opzichte van de regering. In de eerste plaats door een andere omgang met de ministeriële verantwoordelijkheid, waardoor parlementariërs in hun rol als medewetgever, net als de minister, kunnen leunen op de ambtelijke expertise. In de tweede plaats door een institutionalisering van de parlementaire controle op de uitvoerende macht.

Hoeksteen van ons parlementaire systeem is het in 1848 in de Grondwet verankerde artikel 42 over de ministeriële verantwoordelijkheid. Aanvankelijk gold deze bepaling uitsluitend voor de relatie tussen de koning en de minister. Gaandeweg werd de ministeriële verantwoordelijk- heid uitgebreid tot de relatie tussen de minister en zijn ambtenaren. Dankzij een beroep op de ministeriële verantwoordelijkheid kan het parlement de minister ter verantwoording roepen voor ambtelijk handelen of nalaten. Als zodanig leek deze toevoeging aan de ministeriële verantwoordelijkheid onontkoombaar. Maar het is niet realistisch de minister politiek verant- woordelijk te achten voor ambtelijk handelen dat zich geheel buiten zijn gezichtsveld afspeelt.

In de praktijk leidde dit tot een verkramping in de relatie tussen de minister en zijn ambtena- ren en ook tot het ontstaan van waterdichte schotten tussen de volksvertegenwoordiging en de onder de minister ressorterende ambtelijke diensten. Het gevolg is dat de minister altijd, maar de volksvertegenwoordiger meer bij uitzondering een beroep kan doen op het ambtelijk apparaat. Daar ligt de paradox van de ministeriële verantwoordelijkheid. Zij was bedoeld om het parlement greep te geven op de ambtelijke diensten (afrekenen via de minister), maar leidde er in de praktijk toe dat die diensten buiten het bereik van het parlement zijn komen te staan. Beter is een onderscheid te maken tussen verantwoordelijkheid ("responsibility") en verant- woording afleggen ("accountability"). Het zwaartepunt van de ministeriële verantwoordelijkheid moet komen te liggen bij het laatste. Het parlement kan te allen tijde van de minister uitleg vragen over ambtelijk handelen ­ overigens zonder uit het oog te verliezen dat ambtenaren net als ieder ander voor hun eigen handelingen verantwoordelijk zijn en daarvan ook de consequenties moeten dragen. Wanneer het parlement van mening is dat de minister ook zelf verantwoordelijk is voor ongerechtigheden, dan kan hij uiteraard worden weggestuurd. Niet vanwege die ministeriële verantwoordelijkheid, maar vanwege het ontbreken van vertrouwen.

Wat betreft de VVD mag met dit instrument robuuster worden omgegaan dan in de huidige praktijk. Dit levert drie voordelen op.

In de eerste plaats geeft het een ontspannener verhouding tussen de minister en zijn ambte- naren. Kadaverdiscipline van ambtenaren is niet langer nodig. Ook in het bedrijfsleven wordt van medewerkers gevraagd naar eigen geweten te handelen. Het zal de kwaliteit en bestuur- lijke creativiteit bevorderen.

In de tweede plaats voorkomt het dat bewindspersonen omwille van het ontlopen van de ministeriële verantwoordelijkheid hun toevlucht zoeken in de oprichting van zelfstandige bestuursorganen, waaraan staatstaken worden afgestoten. De wildgroei van ZBO"s wordt daarmee afgeremd en de verdere vertroebeling van staatsrechtelijke verantwoordelijkheden voorkomen.

Ten derde ontstaat er een ontspannener verhouding tussen het ambtelijk apparaat en het parlement. Het laatste zal steeds de afweging maken tussen "accountability" en "responsibility" in zijn beoordeling van de minister. De schotten tussen parlement enerzijds en regering en ambtelijke diensten anderzijds kunnen worden doorboord en het parlement kan zijn positie versterken door op veel grotere schaal dan nu gebruik te maken van de ambtelijke expertise.

Dat versterkt het legislatief. Naar het voorbeeld van de "Select Committees" in Groot-Brittannië zullen Commissies van Wetgeving worden ingesteld in het verlengde van de reeds bestaande commissievergaderingen. In deze Commissies van Wetgeving spreken de minister en zijn ambtenaren met parlementariërs. Dat gebeurt in het wetgevingsproces minstens twee keer.

Eerst bij de vaststelling van terreinen waar wet- en regelgeving nodig is, vervolgens wanneer op het departement de ideeën zijn uitgewerkt. Ook voorstellen voor Europese wetgeving worden kort na publicatie in Brussel door Commissies van Wetgeving besproken om in een vroeg stadium parlementaire invloed op het Nederlandse onderhandelingsmandaat zeker te stellen. In de commissie hebben de ambtenaren de plicht alle gevraagde informatie en adviezen te verstrekken. Parlementariërs kunnen op hun beurt ook adviezen geven. De minister beslist.

De bestaande procedures voor de behandeling van wet- en regelgeving in het parlement blijven onverkort gehandhaafd.

De huidige omgang met de ministeriële verantwoordelijkheid leidt soms ook tot het afrekenen van een zittende bewindspersoon op het handelen van een ambtsvoorganger. Het is de absurde consequentie van de verwarring tussen verantwoording en schuld. Beter is het de ambtsdrager te verplichten rekenschap af te leggen van de fouten van een voorganger, zonder hem daar- voor weg te moeten sturen. Anderzijds mag de schuldvraag niet uit beeld verdwijnen. Daaraan is iets te doen, wanneer een ambtsvoorganger wiens handelen of nalaten tot aftreden had moeten leiden, na vertrek uit het ambt elders in een kroonbenoeming functioneert. Dit kan zijn als burgemeester, lid van de Raad van State, korpschef of lid van een regeringsadvies- commissie. Wanneer nieuw ontdekte feiten achteraf gezien reden zouden hebben gegeven van die nieuwe benoeming af te zien, dient de Tweede Kamer de regering bij motie de opdracht te kunnen geven die benoeming alsnog ongedaan te maken. Daarmee komt een eind aan de praktijk waarbij falende bewindspersonen goed wegkomen in fraaie functies.

VERSTERKING CONTROLERENDE MACHT
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

In zijn "De l"esprit des lois" (1748) onderscheidde Montesquieu de wetgevende, de uitvoerende en de rechtsprekende macht. Tijdgenoten onderkenden al snel dat nog een vierde macht nodig is, de controlerende. Hoewel toegewezen aan de wetgevende macht, is die controletaak in de meeste parlementaire systemen veronachtzaamd, ook in Nederland. Dit is ongewenst. Veel van de parlementaire enquêtes van de afgelopen twintig jaar waren het gevolg van misstanden die hadden kunnen worden voorkomen door een adequatere controle van de regering door het parlement.

De VVD bepleit daarom de institutionalisering van een controlerende macht, evenwel zonder ingrepen in de Grondwet. Een weg daartoe is de instelling van een Permanent Onderzoeks- bureau van de Tweede Kamer. Daarin krijgt de incidentele onderzoekscapaciteit die wordt ingezet bij de parlementaire enquêtes en parlementaire onderzoeken een permanent karakter.

Dit onderzoeksbureau staat ten dienste van de Kamer en wordt geleid door een door de Kamer aan te wijzen delegatie van parlementsleden. Alle fracties die dat willen zijn erin vertegen- woordigd. Die delegatie stelt de onderzoeksagenda op en functioneert voor het overige zoals nu de tijdelijke enquêtecommissies. Het ligt voor de hand hier nauwe samenwerking te zoeken met de Algemene Rekenkamer. Het bureau levert tevens capaciteit die kan worden ingezet om de Kamer bij de beoordeling van bijvoorbeeld grote projecten van dienst te zijn.

Hoorzittingen zijn een middel om kandidaat-bewindspersonen voor hun formele aantreden te bevragen op geschiktheid en achtergrond, zoals gebeurt met kandidaat-Eurocommissarissen in het Europees Parlement. Enige tijd na hun aantreden verstrekken de bewindspersonen individueel aan de Kamer, via het Onderzoeksbureau, een overzicht van hun beleidsprioriteiten.

Periodiek leggen ze verantwoording af over de uitvoering daarvan. Het gaat daarbij dus om een totaaloverzicht, niet over een enkel onderdeel van het beleid. Zodoende kan de Kamer beter de voortgang in de uitvoering van voorgenomen beleid van individuele regeringsleden controleren. Het is een toevoeging aan de vergelijkbare verantwoording die door de regering als geheel wordt afgelegd. Het kan de vertrouwensband tussen Kamer en individueel bewinds- persoon bevorderen en zo bijdragen aan de versterking van de controlerende macht.

REFERENDUM
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Nederland is een representatieve of indirecte democratie waarin terecht voorzichtig wordt omgesprongen met elementen uit de directe democratie, zoals referenda. Niettemin is de absolute koudwatervrees waarvan sommige liberalen last hebben, overdreven. Er zijn wel degelijk momenten waarop de staat een rechtstreeks oordeel aan de kiezers kan vragen, bijvoorbeeld als het zaken betreft die de politieke of grondwettelijke orde zelf raken. Zo werd in 1814 de eerste Constitutie in een (weliswaar selecte) volksraadpleging vastgesteld. In deze geest paste het raadplegend referendum over de Europese Grondwet van 2005. Daarnaast komt het voor dat een politieke keuze moet worden gemaakt in een kwestie die geheel op zichzelf kan worden beoordeeld (zoals euthanasiewetgeving). Beide typen referenda zijn niet strijdig met de representatieve democratie: ze gaan eraan vooraf of zijn er duidelijk aan ondergeschikt.

Samenvattend: de VVD bepleit een versterking van het parlement door een nieuwe en realisti- schere omgang met de ministeriële verantwoordelijkheid. De uitvoerende macht kan door middel van de gekozen minister-president worden versterkt. Door hun grotere onafhankelijk- heid van elkaar zal de dialoog tussen parlement en regering hoe dan ook scherper en intenser worden. De macht gaat terug naar waar ze democratisch wordt gecontroleerd, weg uit de wirwar van ongrijpbare en dus oncontroleerbare bestuurslichamen. De kiezer krijgt meer greep op de staat. Al deze staatsrechtelijke voorstellen ­ de hoorzittingen voor kandidaat-bewinds- lieden, het sneller aftreden bij vertrouwensverlies, een gekozen minister-president ­ zijn gericht op vertrouwen. Overal in het leven gaat het niet alleen over wat moet worden gedaan, maar ook over wie het doet. Ieder kiest voor de dokter, advocaat of belastingconsulent in wie hij vertrouwen heeft. Die vertrouwenskeuze hebben de burgers in de ons omringende landen wel, maar in Nederland niet. Vertrouwen de Nederlandse politici hun burgers soms niet? De VVD vertrouwt de Nederlandse burger wel en wil dat duidelijk wordt dat de burger de baas is.

LOKALE, REGIONALE EN EUROPESE DEMOCRATIE
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

LOKALE DEMOCRATIE
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Hoewel de landelijke politiek in de beeldvorming de dominante kracht in de Nederlandse bestuurlijke ordening is, wordt het dagelijkse leven in sterke mate beïnvloed door het lokale bestuur. Huisvesting, onderwijs, veiligheid, sociale voorzieningen, welzijnszorg, openbaar vervoer, cultuur, sport ­ stuk voor stuk onderwerpen waarover het gemeentebestuur verant- woording aflegt in de lokale democratie. De opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen wekt de indruk dat kiezers die invloed miskennen.

Toch kan op dit schaalniveau het bestuur het dichtst bij de burger worden gebracht. Iedere individuele burger kan rechtstreeks contact hebben met raadsleden, wethouders of de burge- meester. Dat lukt met landelijke volksvertegenwoordigers, laat staan bestuurders in veel mindere mate. Mede daarom is decentralisatie voor de VVD een belangrijk uitgangspunt bij de verhoudingen tussen de bestuurslagen. Waar mogelijk vindt het openbaar bestuur plaats op het niveau van gemeenten, tenzij overwegingen van doelmatigheid een hoger bestuurlijk niveau vragen. Het lokale niveau wordt ook versterkt door de gemeenteraadsverkiezingen niet meer vierjaarlijks landelijk te organiseren maar gemeenten het recht te geven verkiezingen uit te schrijven wanneer daar behoefte aan is.

De overdadige bemoeienis van de rijks- en provinciale overheden met lokaal beleid moet worden bestreden. De bijl moet in de sturings- en prestatiebureaucratie. Geen dubbele, laat staan driedubbele verantwoording afleggen over één en hetzelfde onderwerp. Medebewind leidt tot een onduidelijke verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Het moet duidelijk zijn welk democratisch bestuursorgaan uiteindelijk verantwoordelijk is. Dat kan alleen als bestuurlijke verantwoordelijkheden en taken helder worden gedeeld. Elke bestuurs- laag is daarop aanspreekbaar. Als iedereen verantwoordelijk is, is niemand meer verantwoor- delijk en gaat het ook mis, zoals bleek ten tijde van de vuurwerkramp. Zo wordt voorkomen dat bestuursorganen elkaar verhinderen een taak naar behoren uit te voeren en is het ook niet mogelijk zich achter andermans verantwoordelijkheden te verschuilen. Belangrijk is wel dat decentrale overheden voldoende beleids- en uitvoeringsvrijheid hebben. De basis daarvoor ligt in onze gedecentraliseerde eenheidsstaat.

De bestuurlijke "dichtheid" van Nederland is enorm. Deel het aantal inwoners door het totale aantal bestuurders en volksvertegenwoordigers van staat, provincies, gemeenten, deelgemeen- ten, waterschappen en andere publiekrechtelijke lichamen en de conclusie kan geen andere zijn dan dat het er te veel zijn. Het gevolg is een wirwar aan overlegstructuren en een overdaad aan vergaderingen. Coördineren en afstemmen is een nationale sport geworden. De burger heeft geen enkele weet van wat er gebeurt, laat staan dat hij merkt er baat bij te hebben. Het is de hoogste tijd voor bestuurlijke verdunning, in alle bestuursorganen en op alle niveaus. Wij, 16 miljoen inwoners van dit land, worden op lokaal niveau door te veel burgemeesters, wethouders en volksvertegenwoordigers bestuurd. Dat kan met minder. Voor gemeenten betekent dit of verdergaande herindeling of aantoonbare bestuurskracht in het bestuur van de eigen gemeente en in de samenwerking met bestuurlijke partners. Een grotere schaal betekent grotere kansen op competente bestuurders en ambtenaren en op minder versnipperde bestuurlijke samenwerkingsrelaties.

Colleges van B & W hoeven nooit uit meer dan vijf, in de grootste steden hooguit zes personen te bestaan. De burgemeester moet rechtstreeks door de bevolking worden gekozen. De geko- zen burgemeester wordt tevens formateur van het nieuwe College van B & W. Dat College moet, alvorens van start te gaan, het vertrouwen van de gemeenteraad krijgen op basis van een bestuurlijk programma. Voorafgaand aan het uitspreken van het vertrouwen worden kandidaat- wethouders in een hoorzitting bevraagd op geschiktheid en bestuurlijke voornemens.

Een krachtige lokale democratie kan niet zonder substantieel lokaal belastinggebied. Pas als ook de financiering van lokaal beleid op lokaal niveau gebeurt, kan op dat niveau politieke verantwoording worden afgelegd. In Nederland is de omvang van het gemeentelijke belasting- gebied verhoudingsgewijs klein. In sommige landen doen gemeenten de totale belastinghef- fing, waarna afdracht aan het Rijk plaatsvindt voor bovengemeentelijke taken. Bij ons is het grotendeels andersom. De bemoeienis van het Rijk met de gemeentelijke financiën kan beperkt zijn. De gemeentelijke beleidsvrijheid hangt samen met de mogelijkheid lokaal belasting te heffen en de vrijheid van besteding. Daarom moeten specifieke uitkeringen beperkt worden en dient de gemeente zoveel mogelijk haar middelen te ontvangen via de algemene uitkering (bestedingsvrijheid) en eigen inkomsten. Om te voorkomen dat dit leidt tot een lastenverhoging voor de burger moet die verruiming gepaard gaan met een minstens navenante vermindering van de nationale belastingdruk. Dit is onderdeel van een algehele herziening van het fiscale stelsel, waarbij het uitgangspunt moet blijven dat lokale overheden geen inkomenspolitiek bedrijven. Kortom, zoals de Amerikaanse koloniën zich losmaakten van het Britse moederland met de slogan "No taxation without representation", zo behoort volgens de VVD de lokale democratie zich te emanciperen uit de greep van de Rijksschatkist onder de banier "No representation without taxation".

REGIONALE DEMOCRATIE
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Voor sommige provincies geldt dat de inwoners zich er sterk mee verbonden voelen. Zo zijn Friezen en Limburgers vaak ronduit trots op hun "land". Een bovenregionale samenwerking zal niemand willen tegenhouden, maar samenvoeging van provincies is voor velen een brug te ver. We kunnen er echter niet aan voorbijgaan dat bestuurlijke vraagstukken niet zelden dwars door en over de bestaande provinciale indeling heen lopen. Dan worden allerlei samen- werkingsverbanden gecreëerd, die vaak gepaard gaan met een rammelende democratische verantwoording. Ook rond de grotere steden zien we samenwerkingsverbanden met een stadsgewestelijk karakter. Bestuurlijke slagkracht en democratische legitimatie zijn gebaat bij een formalisering van die nieuwe vormen van regionale samenwerking. Deze ontwikkelingen vergroten de noodzaak van een verbouwing van het Huis van Thorbecke.

EUROPESE DEMOCRATIE
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

De Europese Unie is bij uitstek een liberaal project: een interne markt vrij van belemmeringen voor burgers en bedrijven, een ruimte van democratie en stabiliteit. Gegroeid vanuit een econo- misch samenwerkingsverband maakt de Unie inmiddels regels en wetten die op tal van terreinen alle Nederlanders aangaan ­ in hun rol van producent, consument, maar ook burger. In het streven naar de zogenaamde economische "vier vrijheden" (vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitaal) ligt al besloten dat de politiek van de lidstaten steeds hechter verknoopt raakt. Dat komt de welvaart en veiligheid op ons continent doorgaans ten goede, maar kan ten koste gaan van de democratie. Op dat front ligt de grootste opgave voor de komende periode.

Democratisering van de Europese instellingen in Brussel ­ bijvoorbeeld meer macht voor het Europees Parlement ­ is een oude liberale wens. Toch kunnen wij op die kaart niet alles zetten.

De democratische legitimiteit van de Unie ligt volgens de VVD namelijk ook en vooral in de Lidstaten. Het idee van een federaal Europa ­ met één regering en parlement te Brussel en met het spreekwoordelijke volkslied ­ is bijgesteld. De VVD vindt dat van realiteitszin getuigen.

De Nederlandse staat en de Nederlandse identiteit zullen behouden blijven, net als de Duitse, Spaanse, Poolse of Maltese. Europa"s kracht ligt in verscheidenheid. Maar let op: daarmee is nog niet gezegd dat dit veelvormige continent niet richting meer politieke eenheid zou bewegen.

Onder druk van de omstandigheden (globalisering, opkomst van andere continenten) gaat die ontwikkeling onherroepelijk door. Alleen de vorm wordt anders dan gedacht. Het is daarom tijd dat Nederland zich losmaakt uit oude sjablonen (zoals "communautair" versus "intergou- vernementeel") en de Europese krachtlijnen in ogenschouw neemt. Het Europa van de lidstaten wordt wel degelijk een politieke Unie. Daarin moet ook Nederland een plek vinden.

Voor de Nederlandse inzet in Europa betekent dat het volgende. Voor de constitutionele inrichting ­ de vorm ­ geldt dat wie de Unie wil democratiseren, meer dan nu moet bouwen op het nationale burgerschap. Van daaruit lopen de meest krachtige vertegenwoordigingslijnen naar "Brussel", via de eigen regering (in de Raad van Ministers) en de eigen regeringsleider (in de Europese Raad). De Tweede Kamer moet dit beter controleren en zich niet voor voldongen feiten laten plaatsen. De VVD is dan ook warm voorstander van een grotere rol van beide Kamers bij de controle op de naleving van subsidiariteit (het principe dat de Unie zich beperkt tot taken die de Lidstaten zelf niet of minder goed kunnen vervullen), zoals ook voorgesteld in de Europese Grondwet. Daarmee wordt de rol van het nationale parlement versterkt en kan de kloof tussen burgers en "Brussel" tevens via de eigen volksvertegenwoordiging worden overbrugd. Het "Europese burgerschap", toegekend bij het Verdrag van Maastricht aan iedere staatsburger van een lidstaat en uitgeoefend bij de verkiezing van het Europees Parlement, is vooralsnog te zwak om in zijn eentje een Europese democratie te dragen. Europese en natio- nale volksvertegenwoordigers geven samen het Europese politieke leven vorm, de eersten rechtstreeks gekozen, de laatsten getrapt via de eigen regering. Op dit moment zijn de natio- nale parlementen en partijen zich hiervan onvoldoende bewust. Om het Europese debat voor de burger begrijpelijk en grijpbaar te maken zijn zij nu aan zet.

Voor wat betreft het beleid ­ de inhoud ­ van de Unie wil de VVD de lijn bestendigen die Nederland de afgelopen jaren vooral onder druk van onze partij heeft ingezet: hervorming van het landbouw- en het regiobeleid, voltooiing van de interne markt, één asiel- en migratie- beleid, strenge naleving van het Stabiliteitspact, toezicht op verminderde regeldruk, intensie- vere samenwerking op het gebied van terrorismebestrijding, een beter afgestemd buitenlands beleid en het bevorderen van wereldvrijhandel. In het algemeen geldt steeds: Europa moet alleen doen wat niet op een lager niveau kan gebeuren.

2) VEILIGHEID
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

DEFENSIE
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Nederland is een open samenleving midden op het oude continent, waar de wereld van alle kanten binnenkomt. Omgekeerd raakt ons doen en laten de wereld om ons heen, bijvoorbeeld inzake terreurbestrijding. Veiligheid waarborgen voor zijn burgers is de primaire taak van de Nederlandse staat.

De rol van Defensie is daarbij breder dan alleen het beschermen van het eigen of bondgenoot- schappelijke grondgebied. De bedreigingen van onze samenleving zijn zeer divers van aard en kunnen zich wereldwijd manifesteren. Defensie moet beschikken over middelen die haar in staat stellen om, in nauwe samenwerking met anderen, aan deze bedreigingen het hoofd te bieden. Omdat de samenleving beweegt, kan het denken over veiligheid nooit stilstaan.

Voortdurend inspelen en reageren op internationaal politieke, economische en ook religieuze en sociale ontwikkelingen is noodzakelijk. De onderlinge verwevenheid van de factoren die de veiligheid beïnvloeden, vereist een integrale aanpak van alle bij het veiligheidsbeleid betrokken instanties zowel in nationaal als in internationaal verband. Daarmee verliezen de grenzen tus- sen interne (nationale) veiligheid en externe (internationale) veiligheid aan scherpte en zullen uiteindelijk geheel vervallen. Ook interne veiligheid is, vooral binnen Europa, een gezamenlijke verantwoordelijkheid van lidstaten. Terrorisme en internationale criminaliteit bij ons kunnen niet effectief worden bestreden vanuit Nederland alleen.

Van onze externe veiligheid heeft Nederland al lang geleden vastgesteld dat die alleen in internationaal verband kan worden gewaarborgd. Sinds de Tweede Wereldoorlog hebben de Verenigde Staten hierbij, vooral in NAVO-verband, een leidende rol gespeeld. Zij hebben die rol ook waargemaakt door in de twintigste eeuw de bedreigde democratieën van Europa een aantal keren te hulp te komen. Niettemin zijn de transatlantische verhoudingen veranderd.

Sinds de Koude Oorlog wordt de oproep vanuit de VS tot een grotere bijdrage aan het hand- haven van de internationale veiligheid van de zijde van Europa steeds indringender. Tot op heden lijken de ons omringende landen, zoals Groot-Brittannië, zich daarvan beter bewust dan wij. Bovendien is na de Val van de Muur (1989) Europa zelf ontwaakt uit haar politieke sluimer. Gedreven door geopolitieke omstandigheden ­ Duitse eenwording, Joegoslavische crises, uitbreidingen ­ volgen de Europese verdragen elkaar in een steeds sneller ritme op.

In vijftien jaar groeide de Europese unie van een markt en rechtsorde van en voor twaalf naar een politieke orde van vijfentwintig landen. Ook op het gebied van veiligheid en defensie wordt in toenemende mate samengewerkt en afgestemd. Het is een proces dat, in de visie van de VVD, moet leiden tot een gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid en uiteindelijk tot vormen van taakspecialisatie en meer zeggenschap van de EU over de inzet van de krijgsmacht. Het is bovenal via de EU dat Nederland invloed kan uitoefenen in de wereld.

De in het verleden verworven goede samenwerking binnen de NAVO vormt het uitgangspunt voor het Nederlandse vredes- en veiligheidsbeleid, op voorwaarde dat de doelstellingen van deze organisatie meegroeien met de ontwikkelingen op het gebied van de internationale veiligheid. De VVD zet in op zowel een evenwichtigere verhouding tussen de defensie-inspan- ningen van de VS en die van de Europese landen als op een belangrijkere rol voor de EU opdat Europa uitgroeit tot een volwaardige poot van het transatlantisch bondgenootschap, waarin ook Nederland zijn verantwoordelijkheid neemt. De ontwikkelingen binnen de VN worden weliswaar met belangstelling gevolgd maar geven vooralsnog geen aanleiding om het eerdergenoemde uitgangspunt te herzien.

De VVD erkent, gegeven de ontwikkelingen, de noodzaak van een moderne, sterke en goed voor zijn taken toegeruste krijgsmacht die, bij het met een integrale aanpak zeker stellen van de veiligheid een belangrijke rol speelt. Nationaal is defensie niet langer een vangnet, maar een partner in het handhaven van de veiligheid. Internationaal moet een bijdrage worden geleverd van een omvang die recht doet aan de positie van Nederland in de wereld. Inzet moet mogelijk zijn over een breed spectrum, variërend van het daadwerkelijk afdwingen van vrede tot wederopbouw na een conflict. Veiligheid is geen sluitpost.

Buitenlandse politiek draagt bij aan externe veiligheid door te pogen conflicten te voorkomen en op te lossen. Behalve militaire spelen ook diplomatieke en handelspolitieke inspanningen daarbij een rol. Het is van groot belang dat internationale verdragen worden gerespecteerd, de mensenrechten worden beschermd en de internatonale rechtsorde word gesteund.

Zo dragen onder andere de Conventie van Genève, het Internationale Strafhof, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) hieraan bij. Deze zijn onmisbaar ter verdediging van de liberale waarden vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid in de wereld. Overigens heeft Nederland met zijn volkenrechtelijke traditie sinds Hugo de Groot en als vestigingsplaats van een aantal prestigieuze internationale juridische instellingen (Vredespaleis, Internationaal Strafhof, "International Criminal Court") hierin een bijzondere verantwoordelijkheid.

DE RECHTSSTAAT
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

De rechtsstaat is nooit een rustig bezit geweest. Dat is hij nu niet, maar dat was hij ook voor de Tweede Wereldoorlog niet, toen nazisme en fascisme actief moesten worden bestreden. Een onrustig bezit was de rechtsstaat ook in de jaren zeventig en tachtig toen Nederland kampte met duizenden krakers en "autonomen" die er door vernielingen, geweldsgebruik en brandstichting blijk van gaven dat ze het meenden toen ze zeiden: "Uw rechtsorde is de onze niet". Ook in die tijd manifesteerde zich in Nederland terrorisme, soms als uitloper van interna- tionaal terrorisme, soms als terrorisme van eigen bodem. Wie herinnert zich niet de treinkaping in Drenthe?

Na een korte periode van betrekkelijke rust zijn we de nieuwe eeuw in gegaan met onrust rond de rechtsorde. Nederland heeft te maken met de uitlopers van een machtige fundamentalisti- sche beweging die zich beroept op de Islam. Een beweging die een theocratie voorstaat, waarin mensenrechten geen plaats hebben en waarvan haat en onderdrukking essentiële componen- ten zijn. Het terrorisme dat hieruit voortkomt, vormt de meest fundamentele bedreiging van de rechtsstaat.

De tweede bedreiging ligt in het nog steeds onaanvaardbaar hoge peil van de criminaliteit in Nederland en vooral in de geweldscriminaliteit. We kunnen niet week in, week uit constateren dat getreiter, vernielingen en mishandelingen bij klaarlichte dag iedereen overal kunnen treffen en tegelijkertijd beweren dat wij een rechtsstaat hebben die prima functioneert. Wat voor signaal zenden wij uit als van alle tien misdrijven die er worden begaan er maar één wordt bestraft? Hoe kunnen de slachtoffers van die andere negen dan nog geloven dat de staat voor hen opkomt en waarom zouden de daders geloven dat de staat hen vindt en, belangrijker nog, achter de tralies weet te krijgen? Draaideurcriminaliteit is aan de orde van de dag.

Veelplegers zijn amper van de straat te houden. Criminele drugsverslaafden struinen de straten af en veroorzaken grote overlast. Jeugdige delinquenten komen er met halfbakken maatregelen vanaf en bouwen onverdroten verder aan hun misdadige loopbaan. De slachtoffers van criminaliteit zijn veelal de zwaksten in de samenleving. Politie, justitie en de rechterlijke macht zullen de samenleving van deze ellende moeten verlossen om het vertrouwen van de burger in het gezag te herstellen.

De derde bedreiging van de rechtsstaat ligt in de onbalans die is ontstaan tussen de productie van beleid en regels en het onvermogen om dat beleid uit te voeren en die regels te handhaven.

Gedogen is soms een pragmatische oplossing voor het laten voortbestaan van een situatie die naar de letter der wet wellicht niet mag, maar in de praktijk een allengs geaccepteerde en soms zelfs gunstige situatie is. Op den duur zal dus een aanpassing van wetgeving of strikte handhaving van bestaande regelgeving moeten volgen. Maar dat kan natuurlijk niet wachten voor die zaken die ronduit bedreigend zijn voor individuele burgers of bedrijven. Ook de jeugd- zorg faalt. Meer dan eens hebben we de moord op een kind te betreuren omdat "de instanties" nog geen aanleiding zagen in te grijpen. De staat verzwaart de lasten voor het bedrijfsleven, maar reageert onvoldoende op de noden: diefstal, fraude en beroving zijn de harde commer- ciële werkelijkheid van alledag geworden en de enig merkbare respons van de overheid is niet hulp of bescherming, maar meer overheid.

De conclusie is dat het huidige bestel voor het handhaven van de rechtsstaat faalt. Sommigen menen dat de rechtsstaat faalt en dat we daarom moeten afzien van essentiële elementen daarin, zoals de onbelemmerde uitoefening van grondrechten. Maar in welke situatie belandt de burger als zijn grondrechten worden ingeperkt en de staat ook nog faalt in de handhaving? Er zijn helaas genoeg landen in de wereld, in Zuid-Amerika bijvoorbeeld, waar deze combinatie voorkomt. Deze zijn ­ om het beleefd te zeggen ­ voor Nederland geen voorbeeld. We moeten het probleem aanpakken bij de kern: de rechtshandhaving. Alleen door het geweldsmonopolie met hernieuwde kracht af te dwingen kan de staat het vertrouwen van de burger herwinnen.

Criminaliteit moet worden bestreden en de veiligheid moet vergroot.

Rechtshandhaving 
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Dat de handhaving faalt, is geen nieuws. Opeenvolgende kabinetten hebben zich ingespannen om tot verbetering te komen. Maar één ding heeft men niet durven doen: het aanbrengen van fundamentele veranderingen in "het bestel". In alle machten, bevoegdheden, posities, instellin- gen en organisaties die verantwoordelijk zijn voor de handhaving zoals die nu functioneert.

De laatste keer dat er iets is veranderd, was meer dan een decennium geleden, bij de wijziging van het politiebestel. Er is geen reden op onze lauweren te rusten.

Velen hebben reden om bang te zijn, velen hebben reden te menen dat de staat niet meer voor hen opkomt. Wanneer is het genoeg? Nooit? Dat waarschijnlijk niet, maar wat moet er dan nog erger worden eer wij het op kunnen brengen het rechtshandhavend bestel om te vormen? De VVD meent dat het "over twaalf" is en dat er niet langer mag worden gewacht.

Welke maatregelen staan ons voor ogen? Dit is een manifest en geen programma, en het moet hier dus bij een aanduiding blijven ­ al is het niet zo dat een uitgewerkt programma veel tijd hoeft te kosten. Het programma zal rusten op de volgende beginselen.

Verantwoordelijkheden en bijbehorende bevoegdheden worden aangescherpt, vereenvoudigd en duidelijk gemaakt. Methodieken en praktijken die elders hun waarde hebben bewezen worden ook hier ingevoerd. Regels die niet actief worden gehandhaafd dienen te worden getoetst op relevantie en zo nodig te worden geschrapt. Het behoud van de eigen bestuurlijke positie mag nooit een reden zijn iets niet te doen. Verantwoordelijke autoriteiten horen altijd te kiezen voor de belangen van de slachtoffers. Dat laatste gebeurt nu zeker niet.

Dit lijken voor de hand liggende principes, maar als we de moed zouden hebben ze toe te passen hebben ze vergaande gevolgen. Om te beginnen moet de departementale ordening anders worden. Gezags- en beheersverantwoordelijkheden moeten, voor zover ze bij het Rijk horen, bij elkaar worden gebracht. Dat betekent dus een samenvoeging van onderdelen van het Ministerie van Binnenlandse Zaken met die van Justitie. In een klein, compact Ministerie van Veiligheid komen de lijnen samen: politie, opsporings- en vervolgingsbeleid, inlichtingen en veiligheidsdiensten, terreurbestrijding, crisisbeheersing en rampenbestrijding, brandweer en vooral ook de integrale veiligheidszorg. Veiligheidsinspecties van andere departementen kunnen ook onder dit ministerie worden gebracht. Het draagt de zorg voor het integrale veiligheidsbeleid, zoals lokaal de burgemeester de coördinerend verantwoordelijke is. Justitie houdt de verantwoordelijkheid voor de magistratelijke kant van het openbaar ministerie en de rechterlijke macht.

De politieorganisatie moet garanderen dat nationale prioriteiten niet worden gedwarsboomd door regionale of lokale beslissingsbevoegdheden. Volledige centralisering van de zeggenschap over de politie doet echter geen recht aan het gegeven dat het meeste politiewerk veroorzaakt en bepaald wordt door wat in de steden en dorpen op straat gebeurt. Opsporing, handhaving, preventie en noodhulp zijn voor een belangrijk deel zaken van lokale aard. Maar waar nuttig en nodig moet centrale sturing mogelijk zijn. Het is onzin om de huidige 25 districten met de zeggenschap van hun regionale colleges met meer dan 500 bestuurders en officieren van justitie onverkort te handhaven. Dat kan veel efficiënter. Daarbij moet de democratische controle op de politie beter worden geregeld. Het politieapparaat moet zijn primaire taak van controle op de rechtshandhaving ook werkelijk prioriteit geven. In de meeste grote steden in het buitenland is de politie op straat wel duidelijk aanwezig. Daar gaat een grote preventieve werking van uit. Ook in Nederland zal de politie weer meer in het uniform lopend op straat aanwezig moeten zijn: er moet meer blauw op straat. Tevens moet worden onderzocht of het handhavinginstrumentarium van de politie kan worden uitgebreid, bijvoorbeeld door mensen die de openbare orde en veiligheid verstoren makkelijker te kunnen aan- en vasthouden.

De rechterlijke macht moet worden ontlast, want zaken blijven nu veel te lang liggen of wor- den helemaal niet behandeld. "Justice delayed is justice denied." Er moet dus iets gebeuren. Eén mogelijkheid is meer strafzaken af te doen langs de bestuurlijke weg. De invoering van de bestuurlijke boete is een goed begin, maar meer is mogelijk. Ook lekenrechtspraak, zoals al in pachtkamers plaatsvindt, kan rechtbanken ontlasten. Het draagt bovendien bij aan meer voeling met de samenleving. Rechtspraak moet onafhankelijk blijven, maar rechters staan niet boven ons, zij werken namens ons.

De eerste prioriteit en affiniteit van gezagsdragers moet altijd liggen bij de mensen die zich aan de wet houden en bij hen die slachtoffer zijn van wetsovertredingen. Als het tot een veroordeling komt, moet tevens gelden dat geleden schade volledig wordt vergoed door de dader, ongeacht diens financiële positie. Desnoods loopt een afbetalingsregeling een leven lang door. Zulke "herstelgerechtigheid" is een belangrijke voorwaarde voor verwerking van aangericht leed. De lokale of nationale overheid kan de herstelgerechtigheid bevorderen door namens het slachtoffer op te treden als heffer en inner van de schadevergoeding. Dan hoeft het slachtoffer niet in een rechtstreekse relatie met de dader te komen. Ook hier geldt: misdaadbestrijding en rechtshandhaving betekent veelal opkomen voor de zwaksten in de samenleving.

Bestelwijzigingen en organisatorische maatregelen zijn nodig, maar onvoldoende. Zonder adequate gebruikmaking van technologische en forensische mogelijkheden is misdaad bestrij- den niet goed mogelijk. Een geschikter identificatiemiddel dan de pasfoto is de biometrie (irisherkenning, vingerafdrukken). Ook een DNA-databank kan een belangrijk hulpmiddel zijn bij de opsporing van criminaliteit. Er is geen principieel beletsel in zo"n databank gegevens van niet-verdachten op te nemen, mits die gegevens slechts onder de meest stringente voor- waarden mogen worden gebruikt.

Rechtshandhaving is en blijft primair een taak van de staat in zijn repressieve hoedanigheid. Aanvullend moet de staat aandacht schenken aan preventie. Het is in die sfeer dat burgers ook zelf een bijdrage kunnen leveren aan de veiligheid (buurtpreventie, vrijwillige politie). Eigenrichting blijft uit den boze.

Wie niet de Nederlandse nationaliteit bezit en hier wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens het plegen van bepaalde geweldsdelicten of delicten tegen de openbare orde, verliest automatisch zijn verblijfsrecht. Na veroordeling volgt onmiddellijke uitzetting, waarna de veroordeelde zijn straf kan uitzitten in het land van herkomst. Wie naast de Nederlandse nationaliteit nog over een andere nationaliteit beschikt en hier wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van ten minste één jaar, kan de Nederlandse nationaliteit verliezen en Nederland worden uitgezet. Bij uitwerking kan worden gedacht aan in de wet vast te leggen voorwaarden, overeenkomstig de mogelijkheid om veroordeelden actief en passief kiesrecht te ontzeggen.

Ten slotte, de rechtshandhaving zou opnieuw moeten beoordeeld in het licht van de door de burger onbegrepen vrijspraken en strafmaat. Overwogen kan worden straffen telkenmale automatisch zwaarder te maken als een persoon voor hetzelfde of een vergelijkbaar vergrijp wordt gestraft.

Terrorisme 
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

De westerse rechtsstaat staat momenteel tegenover een op haat en onderdrukking gebaseerde theocratische heilsleer. Wat staat ons, verdraagzamen van alle gezindten, nu te doen? Hopen dat het overgaat? De vorige eeuw heeft geleerd dat de westerse beschaving veel kan overwinnen, maar juist ook dat die overwinning niet tot stand kwam door afwachten, gedogen en accommoderen. Pas toen wij ons actief gingen verdedigen en blijk gaven van onverzette- lijkheid kwam de overwinning in zicht.

Terrorisme is een fenomeen dat opkwam in de tweede helft van de negentiende eeuw en dat in golven steeds opnieuw beschaafde naties teistert. In perspectief, de autonomen/rode bri- gades maakten in de wereld enige honderden slachtoffers, de IRA en ETA enige duizenden, en de fundamentalistische terroristen meer dan honderdduizend, vooral in islamitische landen en enige duizenden in andere landen. Deze dreiging kan niet ten goede worden gekeerd als niet alle betrokken autoriteiten, samenwerkend op Europees niveau, volharding, vastberadenheid en duidelijkheid uitstralen. Geweld, het dreigen met geweld, het voorbereiden van geweld, het vergoelijken van geweld wordt onder geen enkele omstandigheid gedoogd. Een beroep op een godsdienstig of politiek motief is daarbij irrelevant. Ook langs economische en financiële wegen dient het terrorisme intens te worden bestreden (beslaglegging op bankrekeningen waar ook ter wereld, onderschepping van internationaal geld- en goederentransport, enz.).

Wij moeten het terroristen zo moeilijk mogelijk maken, zodat zij voor altijd in heimelijkheid zullen moeten leven, wij moeten hen opjagen zodat zij rust noch duur zullen kennen, wij moe- ten hun kringen infiltreren zodat zij immer verraad zullen moeten vrezen, en... wij moeten hen voor de rechter brengen zodat hun schamele en abjecte motieven voor eenieder zichtbaar worden en hun het martelaarschap wordt ontzegd.

De rechtsstaat, dat hoogste liberale gedachtengoed, kan niet behouden blijven als wij deze niet op niet mis te verstane wijze belijden. Maar bij belijden kan het niet blijven. Het is tijd voor daadkracht.

3) VRIJHEID
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

GRONDRECHTEN
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Pas in een staat die democratisch (hoofdstuk 1) en veilig (hoofdstuk 2) is, kan de individuele vrijheid van de burger gestalte krijgen (dit hoofdstuk). De staat moet dan uiteraard niet zelf inbreuk maken op de individuele vrijheid. Voor liberalen is dit fundamenteel. In grondwettelijke zin is dit vastgelegd in de klassieke grondrechten. Zoals de Amerikanen hun Grondwet (1787) van een "Bill of Rights" (1789) voorzagen, zo staan in de Nederlandse Grondwet sinds 1983 de grondrechten vooraan. Aan grondrechten ontleent het individu zijn recht tegenover de staat. Liberalen nemen het beginsel van individuele vrijheid als leidraad voor politiek handelen. Eventuele beperkingen van vrijheden zullen dan ook zeer goed moeten worden beargumenteerd, zeker wanneer het de klassieke grondrechten betreft.

Onder invloed van nieuwe ontwikkelingen en inzichten is een nieuwe kijk op de grondrechten denkbaar, in het bijzonder op hun onderlinge verhouding. Hoe om te gaan met mensen die de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging en vergadering misbruiken om de Nederlandse rechtsstaat in zijn fundamenten aan te vallen? Wat moeten we doen wanneer met een beroep op de vrijheid van godsdienst het recht om niet te worden gediscrimineerd met voeten wordt getreden? En hoe verhoudt zich het recht op lichamelijke integriteit tot een ritueel als besnijdenis? Moeten we toelaten dat de vrijheid van onderwijs rechtstreeks leidt tot een inbreuk op het non-discriminatiebeginsel?

Tot dusverre heeft de rechter op basis van gewone wetgeving en jurisprudentie een uitweg uit zulke dilemma"s gevonden. Maar met de toenemende invloed van religie en toenemende culturele pluriformiteit, neemt de kans op conflicterende grondrechten toe. Vooral het recht op godsdienstvrijheid en het non-discriminatiebeginsel zullen vaker tegenover elkaar staan. Hoewel de grondrechten niet zijn geprioriteerd, krijgt de vrijheid van godsdienst in de praktijk nu prioriteit. Dat is een onwenselijke situatie. Als er dan moet worden geprioriteerd, laat dan het non-discriminatiebeginsel vooropgaan. Het beroep op godsdienstvrijheid zou moeten falen wanneer het een recht creëert dat degene die zich er niet op beroept ontbeert. Evenzeer zou een beroep erop moeten falen als het een aantasting betekent van iemands lichamelijke integriteit. De VVD wil deze fundamentele keuze voor het individu een grondwettelijke basis geven. De regel zou kunnen zijn: bij conflicterende grondrechten mogen burgers nooit in een nadeliger positie ten opzichte van andere burgers raken op grond van omstandigheden waarop zij geen invloed hebben. Dat betekent dat van nature gegeven omstandigheden ­ het leven zelf, het geslacht, de seksuele geaardheid of de etnische herkomst ­ bescherming verdienen boven sociale of zelf gekozen omstandigheden, zoals het aanhangen van een religie of de keuze voor een bepaald soort onderwijs. Artikel 1 van de Grondwet is dus niet voor niets artikel 1.

Naast de klassieke grondrechten bevat de Nederlandse grondwet ook een flink aantal sociale grondrechten. Het gaat daarbij vooral om de vastlegging dat bepaalde onderwerpen nadruk- kelijk aandacht van staatszorg moeten zijn. Zo zijn de bestaanszekerheid van de bevolking en de spreiding van welvaart "voorwerp van zorg van de overheid", evenals de bewoonbaarheid van het land, de verbetering van het leefmilieu, de bevordering van de volksgezondheid en de maatschappelijke en culturele ontplooiing. De VVD vindt dat deze sociale grondrechten niet kunnen bestaan zonder daar tegenover staande plichten. Het recht op een bijstandsuitkering kan alleen gelden als er een inspanning wordt geleverd aan het werk te komen. Het recht op gezondheidsvoorzieningen moet hand in hand gaan met de plicht jezelf te verzekeren. Geen recht zonder plicht.

Ten slotte, het recht op lichamelijke integriteit en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer behelzen eveneens het recht op een menswaardig en zelfgekozen levenseinde. Dat zou ook moeten gelden als de wens daartoe niet is ingegeven door een objectief zichtbare fatale ziekte in een laatste fase. Het zelfbeschikkingsrecht, dat voor de VVD van fundamenteel belang is, geldt ook hier.

ECONOMIE
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Het is ongewenst en een illusie dat de staat bepaalt welke kant het economische leven opgaat. Welvaart en werkgelegenheid komen tot stand in een spontaan spel van vraag en aanbod tussen vrije individuen, dat veelal over de landsgrenzen heengaat. De Europese interne markt is van cruciaal belang voor de Nederlandse economie; voltooiing ervan is een liberale prioriteit.

Tevens moeten we streven naar een zo open mogelijke wereldhandel. Het wegnemen van han- delsbelemmeringen in internationaal verband is nodig voor verdere economische ontwikkeling zowel in Nederland als in de rest van de wereld. De goed gereguleerde ­ en dus vrije ­ markt staat garant voor decentrale beslissingen, keuzevrijheid en eigen verantwoordelijkheid.

Concurrentie stimuleert producenten tot zuinige omgang met schaarse productiefactoren, voor zover de kosten kunnen worden geïnternaliseerd. Het zet hen eveneens aan tot het zoeken naar innovatieve technieken, mits het patentrecht wordt gewaarborgd. In dit spel dient de staat zich de rollen aan te meten van "marktmeester" en van "terreinknecht". De rol van "medespeler" daarentegen past hem minder goed.

Het aspiratieniveau van de economie in Nederland dient te zijn: economische prestaties die Nederland op een bovengemiddelde plaats binnen de EU brengen. Daartoe blijft de positie van Nederland als transitieland en distributieland van cruciaal belang. De staat dient hiertoe actief voorwaarden te scheppen, zoals adequate auto- en spoorverbindingen die aansluiten op de hoofdassen binnen de EU. De mainports Schiphol en het Rotterdams havengebied moeten worden gestimuleerd. Van cruciaal belang is het versterken van de kenniseconomie. Zo is, ook qua innovatie, de agrarische sector één van de pijlers van onze economie. Deze sector en bijbehorende agrobusiness dient een van de fundamenten van de kenniseconomie te blijven.

De staat als marktmeester, terreinknecht en medespeler
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

In het economische leven is de staat primair "marktmeester". Die zorgt voor het opstellen, invoeren en handhaven van de spelregels, ter waarborging van een vrije mededinging en een onbelemmerde toegang tot de markt en ter voorkoming van machtsconcentraties. De staat reguleert, grijpt zelf in bij overtreding of beslecht geschillen tussen marktpartijen. Hiermee biedt de staat de juridische infrastructuur die vrij ondernemerschap waarborgt. Als "terreinknecht" draagt de staat bij aan het scheppen van de voorwaarden voor economische groei. Daarbij gaat het om de aanleg en het onderhoud van de fysieke infrastructuur, zoals wegen, spoor en vaarwegen. Hij treedt regulerend op ter bevordering van effectief gebruik ervan. Ook draagt de staat zorg voor een zodanige ruimtelijke ordening dat met behoud en ontwikkeling van landschappelijke waarden ruimte wordt geboden voor veilige economische ontwikkeling. De mobiliteit in de Randstad moet zodanig worden georganiseerd dat je per openbaar vervoer in anderhalf uur van elk punt A naar punt B kunt komen ­ zoals gebruikelijk in miljoenensteden als Parijs, New York of Tokio.

Verder draagt de staat als terreinknecht zorg voor een goede aansluiting van het onderwijs op de vraag uit de arbeidsmarkt. Productiviteitsverbetering is vooral een kwestie van nieuwe technieken. Technologische innovatie slaagt alleen bij voldoende investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Nederland loopt daarin Europees en wereldwijd achter. Investeren in kennis, onderzoek en ontwikkeling is van immens belang. De staat kan innovatieknelpunten wegnemen, bijvoorbeeld in het midden- en kleinbedrijf. Ook veel maatschappelijke vraagstukken (mobili- teit, milieu, gezondheid) vragen om een innovatieve aanpak.

Ook de administratieve infrastructuur moet op orde zijn. De terreinknecht moet het speelveld beter wieden. Ondernemers worden gehinderd door overmatige en vaak onnodige bureaucratie en administratieve lasten. Regels worden steeds gedetailleerder, zijn vaak onderling tegen- strijdig en dikwijls ronduit belachelijk. Het is de taak van de staat die regels tot het minimum te beperken, ook op Europees niveau. De vitaliteit van het bedrijfsleven is gebaat bij een staat die erin slaagt om de enorme kostenpost van de administratieve lasten drastisch te reduceren. Het Europese subsidiariteitsbeginsel mag er niet toe leiden dat Nederlandse wetgeving stren- ger is en zwaardere eisen stelt aan Nederlandse bedrijven en instellingen dan regelgeving in andere Europese landen doet.

Ten slotte dient de staat een goede fiscale infrastructuur te bieden. Het vestigingsklimaat moet gunstig zijn, ten dienste van de werkgelegenheid. Het midden- en kleinbedrijf is gediend bij betere regelingen op het gebied van bedrijfsoverdracht (staking, overerving).

Om deze beide rollen van scheidsrechter en terreinknecht op geloofwaardige wijze te kunnen spelen, dient de staat zijn inbreng als "medespeler" te herzien. Een verdere ontvlechting van publieke en private belangen blijft nodig. De vervlechting tussen bedrijfsleven en staat zoals die in tal van sectoren bestaat, moet worden teruggebracht. Dat kan de ene of de andere kant op en hoeft dus niet per se in de richting van privatisering te zijn. Ongewenst zijn vooral de hybride constructies (denk aan havenbedrijven, luchthavens) waar noch de tucht van de markt en de mededingingsautoriteit heerst, noch publieke controle plaatsvindt. Wanneer marktwerking ontbreekt en ook niet mag worden verwacht, vindt geen privatisering plaats.

De vertegenwoordigers van Nederland in de Europese Unie dienen consequent te vechten voor de belangen van onze open economie. Dat betekent dat de liberalisering van markten en het stimuleren van onderzoek en ontwikkeling voorop staan. De Lissabonagenda (2000-2010) die van de Unie de meest concurrerende economie ter wereld wil maken, moet worden uitgevoerd naar de oorspronkelijke opzet, dus met het accent op de interne markt. Erkend moet worden dat minimumharmonisatie en wederzijdse erkenning van elkaars regelgeving daarbij veelal effectiever zijn dan verregaande harmonisatie van nationale regelgeving en beleid. Beleidsconcurrentie prikkelt staten tot een economisch gezond beleid. Op sociaal terrein moet nationaal beleid mogelijk blijven.

Arbeid
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Artikel 19 van de Grondwet stelt dat bevordering van de werkgelegenheid "voorwerp van zorg" van de overheid is. Het zou een overdreven verwachting betekenen als uit dat sociale grond- recht de conclusie wordt getrokken dat de staat voor werk zal zorgen. Een succesvol, rendabel en vooral duurzaam werkgelegenheidsbeleid is zelden van de grond gekomen. Grote bedragen zijn uitgegeven aan "activeringsbeleid" waarvan de langetermijneffecten uiterst kwestieus zijn.

De staat moet geen werkgelegenheid creëren, maar het scheppen van werkgelegenheid door vrij ondernemerschap bevorderen.

Voor een optimaal werkende arbeidsmarkt is contractsvrijheid het beste uitgangspunt. Uit het beginsel van contractsvrijheid volgt dat werkgevers en werknemers ook collectief hun arbeids- voorwaarden kunnen regelen. Bijvoorbeeld in CAO"s of door instandhouding van pensioen- fondsen per onderneming of voor een hele bedrijfstak. Dergelijke regelingen vervullen vaak een nuttige rol in de samenleving, maar het komt ook voor dat deze collectiviteiten ten onrechte de concurrentie beperken of niet voldoende effectief zijn doordat zij de tucht van de markt niet hoeven te ervaren. Die negatieve effecten worden in de hand gewerkt door het algemeen-verbindend-verklaren van CAO-afspraken en verplichtstelling van pensioenfondsen.

Op bedrijfstakniveau moeten fondsvormende collectiviteiten de mogelijkheid bieden aan individuele werkgevers en werknemers te kiezen voor hetzelfde product van marktpartijen of er helemaal vanaf te zien. Zonder zo"n reële mogelijkheid van een "opt-out" hoeven de sociale partners niet te rekenen op overheidsmedewerking aan zulke regelingen. Alleen voor werk- nemers die vanwege hun kwetsbare positie tegen zichzelf in bescherming moeten worden genomen is verplichte deelneming zonder "opt-out" in sommige gevallen onontkoombaar.

Economische groei is de optelsom van de groei van de werkzame beroepsbevolking en van de arbeidsproductiviteit. De mate waarin een economie is ingericht op ondernemerschap is daarvoor cruciaal. Nederland kampt met een afnemende omvang van de beroepsbevolking.

De arbeidsproductiviteit staat onder druk omdat er te weinig en te kort wordt gewerkt en de arbeidsmobiliteit te gering is. Hogere arbeidsdeelname moet onder meer tot stand komen door een betere aansluiting van beroepsopleidingen op de arbeidsmarkt en door het stimuleren van startende ondernemers. Ook een afschaffing van de verplichte pensioengerechtigde leef- tijd moet een belangrijke bijdrage leveren. De huidige verplichte pensioenleeftijd doet geen recht aan de waardevolle bijdrage die velen nog willen en kunnen leveren aan het arbeidsproces. De pensioengerechtigde leeftijd moet facultatief worden voor die beroepen waarvoor geen dwingende leeftijdsgrens op grond van fysieke of veiligheidsoverwegingen noodzakelijk is. Aan de AOW wordt niet getornd. Pensioen op je 65e blijft mogen, maar moet niet.

Individuele vrijheid komt het beste tot stand in een situatie waarin de mens zijn eigen inkomen verwerft. Daarom ziet de VVD niets in een basisinkomen. De eerste verantwoordelijkheid voor het materiële welzijn ligt bij het individu zelf. Particulier initiatief, zelfredzaamheid, onderne- mingszin en bereidheid de handen uit de mouwen te steken zijn volstrekt normale en in principe voor iedereen toegankelijke voorwaarden voor een vrij leven. Het is bij uitstek de hardwerkende middenklasse die deze liberale deugden belichaamt. De VVD is zich daarvan in zijn economische, sociale en fiscale politiek nadrukkelijk bewust.

Fiscaal beleid
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

De burger voelt de staat vooral in zijn portemonnee, als de belastingheffer die een "aanslag" doet. De primaire grondslag van fiscaal beleid moet zijn dat de staat geld nodig heeft voor het financieren van zijn staatstaken. Zaken als infrastructuur, onderwijs, gezondheidszorg en defensie kosten geld en moeten mede uit belastingheffing worden betaald. Het gaat om voor- zieningen en verzekeringen die niet op individuele basis tot stand komen of waarvoor een collectieve voorziening een goedkopere oplossing is. Geen weldenkend mens zal daartegen bezwaar maken. Het staatsingrijpen dat met belastingheffing gepaard gaat, levert weliswaar een inperking van de individuele bestedingsvrijheid op, maar maakt de publieke orde mogelijk en vergroot zo het maatschappelijke welzijn. Daarvan profiteert iedere burger.

Iets anders is de zwaarte van de ingreep. De tariefstelling moet zodanig zijn dat de staat vol- ledige dekking van alle noodzakelijke overheidsuitgaven bij een zo laag mogelijk tarief bereikt. Overwerken wordt dan aantrekkelijker, want je houdt er meer geld aan over. Het abjecte zwartwerken wordt vanzelf onaantrekkelijk. Belastingvluchtelingen staan meer dan nu te kijk als mensen die niet willen bijdragen aan de Nederlandse samenleving. Ervaringen elders hebben geleerd dat een lagere en eenvoudigere belastingheffing kan leiden tot meer belastingopbrengsten dan een hogere heffing met een ingewikkeld stelsel van aftrekposten. Het optimale tarief ­ zo hoog mogelijke opbrengsten bij een zo laag mogelijk tarief ­ ligt naar alle waarschijnlijkheid beduidend lager dan het maximumtarief dat in Nederland geldt.

Belastingheffing moet worden gelegitimeerd vanuit de publieke taken waartoe we gezamenlijk hebben besloten. Liberalen weten dat belastingheffing als beleidsinstrument voor gedragsbe- ïnvloeding minder geschikt is. Het Nederlandse stelsel is zo complex omdat uiteenlopende motieven door elkaar lopen. De staat beperkt zich niet tot het vullen ­ en vervolgens verant- woord uitgeven ­ van de Rijksschatkist, maar betrekt bij de inning allerlei politieke en sociaal- maatschappelijke overwegingen en doelen. Dat is niet efficiënt. Een versimpeling van het fiscale stelsel betekent vanzelf een sanering van de wirwar aan beleidsmatige grondslagen.

Daarom bepleit de VVD de zogenaamde "vlaktax", één (lager) belastingtarief voor iedereen.

Uiteraard moet het gat worden gedicht dat dan in de financiering van staatstaken wordt geslagen. Daartoe zijn er drie wegen. Allereerst het in de hand houden en beperken van de collectieve uitgaven. Dat brengt vanzelf een lastenverlichting met zich mee. Een tweede mogelijkheid is het herzien van de indirecte belastingen. Dat heeft als bijkomend voordeel dat het meer accent legt op de keuze van de burger. Ten derde moet worden gekeken naar moge- lijke afschaffing van bepaalde aftrekposten. De hypotheekrenteaftrek blijft daarbij ongemoeid.

In combinatie met een lager en eenduidig tarief, vermindert dat laatste de bureaucratie en dus de kosten van de inning. Het geeft volledige duidelijkheid over het toepasselijke tarief: één percentage, geen gegoochel met aftrekposten, geen inschakeling van een leger van belastingadviseurs en accountants en geen verrassingen meer bij het bezorgen van de blauwe enveloppe. Het is dan afgelopen met het oneigenlijke voordeel van degenen die zich met goedbetaalde adviseurs kunnen voorzien van slimme constructies om de belastingdienst te ontlopen.

INDIVIDU EN SAMENLEVING
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Sociale rechtvaardigheid is een van de leidende beginselen van het liberalisme. Het individu dat de volledige verantwoordelijkheid voor zijn eigen gedrag neemt, is bij uitstek in staat om samen te leven, want hij weet dat hij rekening moet houden met het welzijn van anderen. Het zelfredzame, vrije individu is niet alleen met zichzelf bezig, zoals karikaturen gemaakt door ideologische tegenvoeters ons willen doen geloven. Individuele vrijheid betekent geen normloosheid of egoïsme, maar is de voorwaarde voor moreel handelen.

Vanuit deze visie hebben liberalen zich van oudsher ingezet voor een samenleving waarin degenen die niet of in mindere mate in staat zijn tot zelfredzaamheid en zelfontplooiing worden geholpen. Thorbecke wees al op de kloof tussen "arm en rijk" en aan het einde van negentiende eeuw maakten de liberalen Van Houten en Pierson een begin met sociale wet- geving. Solidariteit is liberalen niet vreemd, maar een solidariteit die door de staat wordt georganiseerd en opgelegd en waarvan niet vaststaat dat die ten goede komt aan degenen die het nodig hebben, valt moeilijk te aanvaarden. Daarom heeft de VVD altijd gestreden tegen misbruik van sociale voorzieningen. Uiteindelijk worden daarvan de mensen die deze het hardst nodig hebben het slachtoffer, want misbruik ondermijnt het draagvlak voor een solidaire samenleving. Bij bezuinigingen en stelselwijzigingen moet worden gelet op het onevenredig cumulatief negatief effect op het bestaansminimum. Eigen verantwoordelijkheid ontslaat liberalen niet van de verantwoordelijkheid voor diegenen, die niet (meer) in staat zijn hun omstandigheden te wijzigen, zoals bijvoorbeeld gehandicapten of ouderen. In een liberale samenleving zijn burgers bereid daarvoor offers te brengen.

Voor alle duidelijkheid: het individu staat niet op zichzelf en niet tegenover de anderen. Individuen drukken zich juist uit in de sociale verbanden die wij in vrijheid aangaan. Daarom is sociale politiek een pijler van het liberale beleid. Het individu behoort niet verworpen te zijn in vernederende armoede zonder dat hij zich daaruit kan verheffen. Iedereen moet kunnen participeren in de samenleving, ook wanneer er sprake is van ziekte of een beperking. Sociaal isolement is geen basis voor individuele vrijheid en ontplooiing, maar leidt tot eenzaamheid en bovendien tot een beroep op dure zorg. Een "Res publica" die hulpbehoevenden niet bijstaat, verdient die naam niet.

Verantwoordelijkheid nemen
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Individuele zelfredzaamheid impliceert dat men in beginsel verantwoordelijkheden niet afwen- telt. Het betekent dat burgers die daartoe in staat zijn zelf in hun levensonderhoud moeten voorzien, zowel tijdens als na het werkzame leven. Het kan niet zo zijn dat met een beroep op solidariteit van volgende generaties met de huidige, de lasten van voorzieningen voor de nu levende generatie worden doorgeschoven. Pensioenvoorzieningen, (gezondheids)zorg en (hoger) onderwijs moeten zoveel mogelijk door de gebruikers zelf betaald worden. Een staats- schuld is alleen aanvaardbaar voor voorzieningen waarvan ook volgende generaties genieten en die er daarom terecht aan meebetalen. Iedere generatie zorgt voor dekking van de eigen consumptieve uitgaven.

Uiteraard is er niets op tegen dat de staat behulpzaam is bij het treffen van verzekeringen voor zorg en pensioen of bij het afsluiten van leningen voor de betaling van studiekosten. Collectieve arrangementen zijn soms goedkoper dan individuele. Maar het uitgangspunt is dat de individuele burger zelf verantwoordelijk is, zelf kiest voor een bepaald voorzieningenniveau en dat zelf betaalt. Alleen voor hen die dat niet zelf kunnen opbrengen draagt de staat de verantwoordelijkheid problemen te voorkomen.

Pensioenregelingen moeten zoveel mogelijk op individuele situaties zijn afgestemd. De verplichte afdracht van pensioenpremie boven het bedrag dat ieder voor de AOW betaalt, is paternalis- tische bemoeienis. Omdat de AOW al garandeert dat mensen niet aan vernederende armoede worden blootgesteld, moeten zij voor het overige de vrijheid krijgen hun eigen toekomst te regelen, ook al staan daar soms schaalnadelen tegenover. Dat bevordert bovendien de arbeidsmobiliteit. Nu blijft men soms gedwongen bij een werkgever omdat een overstap tot aanzienlijk pensioennadeel leidt. De huidige regelingen hebben een te collectivistisch karakter en kennen beperkingen die voor de pensioenverzekerde uiterst nadelig kunnen uitwerken. De dienstverlenende instelling van de grote, op collectivistische leest geschoeide pensioenfondsen is onder de maat. "Opting-out" en transparantie zijn goede instrumenten voor een beter pensioenstelsel. De pensioenverzekerde heeft doorgaans geen idee wat er met zijn of haar geld gebeurt en kan daar zelfs met hulp van deskundigen nauwelijks achterkomen. Eigen ver- antwoordelijkheid, het beginsel van kapitaaldekking en grotere keuzevrijheid moeten hand in hand gaan met overzichtelijke, begrijpelijke en betrouwbare informatie. Aan de verschillende behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de pensioenen moet onmiddellijk een einde komen. Pensioenbreuk dient te verdwijnen.

Sociale cohesie
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

De liberale samenleving is een samenleving van vrije individuen. Zo"n samenleving wordt geken- merkt door betrokkenheid. Individualisme is geen onverschilligheid. Het is ook de bereidheid om in sociale verbanden te opereren en bij te dragen aan het ontstaan van sociale cohesie. Langs die lijn levert een liberale politiek het "bezielend verband", dat tot moraliseren geneigde critici haar ontzeggen. Sociale rechtvaardigheid, verantwoordelijkheid, pluriformiteit en de daarmee samenhangende nieuwsgierigheid naar wat anderen beweegt, bieden uitstekende kaders voor een zinvolle en inspirerende samenleving. Liberalen zijn strikt in de scheiding tussen Kerk en Staat, maar onderkennen uitdrukkelijk de waarde die religie voor velen een belangrijke en waardevolle rol in het leven speelt. Zingeving en bezieling zijn echter geen staatstaken. Niets staat mensen in de weg die te zoeken in het geloof, in kunst en cultuur, in de historie, in gedeelde waarden en normen of in vriendschap en liefde.

Inzet voor de publieke zaak geeft vorm aan sociale samenhang en maatschappelijke betrok- kenheid. Bijvoorbeeld door vrijwilligerswerk. Miljoenen Nederlanders zetten zich in als vrijwilliger op allerlei gebied en creëren daarmee een maatschappelijk rendement van onvoor- stelbaar grote omvang. De waardering voor dat werk is meestal gering, de vergoeding vaak nihil. Regels en bepalingen uit bijvoorbeeld de Arbowet, de arbeidstijdenwet en de drank- en horecawet die het vrijwilligerswerk onnodig bemoeilijken zouden moeten worden geschrapt.

De sociale cohesie in wijken en buurten staat vaak onder druk door de ernstige hinder die mensen ondervinden van overlast die wordt veroorzaakt door asociale medebewoners.

Geluidsoverlast, drank- en drugsmisbruik, drugshandel en illegale prostitutie zijn slechts enkele voorbeelden van overlast die op veel plaatsen dagelijkse kost is. Buren lijden soms jarenlang onder die terreur, die behoort tot de grootste ergernissen van de burger. In de praktijk blijkt de aanpak moeizaam te verlopen. Bestuurders moeten veel meer en intensiever gebruik maken van hun bevoegdheden om overlast en asociaal gedrag aan te pakken. De wetgever moet een drastische koerswijziging inzetten door de rechtsbescherming van overlastveroor- zakers aan banden te leggen. Het recht moet aan de juiste kant staan. Er moet wetgeving komen, zoals bijvoorbeeld in Groot-Brittannië al is ingevoerd, die een steviger juridische basis biedt om jongeren die structureel overlast veroorzaken van de straat te halen.

Landschap, natuur en milieu
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Mensen hebben het recht gebruik te maken van de ecologische mogelijkheden ­ grondstoffen, bodem, lucht, water - die de aarde biedt. Maar misbruik of uitputting mag niet het gevolg zijn. Ook anderen, waaronder komende generaties, moeten dat gebruiksrecht kunnen uitoefenen.

Het fruit mag worden geplukt, maar de boom moet blijven staan. Dit duurzaamheidsprincipe is leidend bij al het beleid. Het moet deel worden van ons handelen en denken. Het onderwijs heeft een belangrijke rol bij het milieubewust maken van volgende generaties. Liberaal milieu- beleid is wars van dogma"s, is rationeel en gebaseerd op feiten. Het resultaat telt. Door middel van maatschappelijke kosten-batenanalyses streeft de VVD naar het hoogste rendement voor elke milieu-euro die wordt uitgegeven. Dat vereist ook dat milieuproblemen worden aangepakt op het niveau waar dat het meest effectief kan. Veel milieuproblemen hebben een internatio- nale dimensie. Zij vragen om een Europese of wereldwijde aanpak.

Ondernemers zijn zelf verantwoordelijk voor duurzaam ondernemen. Zij leggen verantwoording af aan elkaar, aan consumenten en aan investeerders. Op basis van het marktprincipe maken die hun eigen afwegingen en keuzes. De rol van burgers gaat verder dan die van milieubewuste consument. Individueel milieubewust gedrag houdt ook in dat burgers vrijwillig bijdragen aan het reduceren van energiegebruik en afval. Maar burgers zijn vaak alleen bereid hun gedrag aan te passen als anderen dat ook doen. Het heeft geen zin je afval netjes op te ruimen als alle anderen het over de schutting gooien. Veel duurzaamheidsvraagstukken zijn dus een sociaal dilemma, waarbij de staat tot taak heeft de gewenste uitruil van maatschappelijke belangen ("ik zal...maar dan moet jij...") tot stand te brengen. Als burgers of bedrijven hun eigen verantwoordelijkheid niet (kunnen) nemen of de markt niet voor oplossingen zorgt, stelt de staat regels en zorgt ervoor dat die worden nageleefd. De overheid stelt milieudoelen maar schrijft niet voor hoe die worden gehaald. Daarin worden consumenten en producenten zoveel mogelijk vrij gelaten.

Een evenwichtige ruimtelijke ordening met behoud van landschap en natuur is belangrijk voor een goed leefklimaat. Waar aantasting dreigt door menselijk handelen kan door compensatie worden voorkomen dat de algehele kwaliteit achteruit gaat. Een voorbeeld is de natuurcom- pensatie bij de aanleg van de Tweede Maasvlakte. Wensen van burgers zijn de basis voor ruimtelijke ordening en inrichting van woon- en leefklimaat. De staat heeft vooral tot taak het vastleggen en handhaven van grenzen aan ruimtelijke dynamiek uit het oogpunt van veiligheid en duurzaamheid. Om maatwerk te leveren kunnen normen naar gebied worden gedifferentieerd.

Door een effectief milieubeleid is, met uitzondering van CO2 en enkele andere stoffen, sinds 1985 de uitstoot van milieuverontreinigende stoffen gedaald en de kwaliteit van lucht en water aanzienlijk verbeterd. Die ontwikkeling, waarbij economische groei niet gepaard gaat met een evenredige toename van de milieubelasting, wordt doorgezet ("ontkoppeling"). Toch blijft de milieudruk in Nederland hoog door een hoge bevolkingsdichtheid, intensieve veeteelt en een forse industrie- en transportsector. De luchtkwaliteit verbetert te langzaam en de belasting van bodem, (grond)water en natuur met verzurende stoffen, stikstof en fosfaat is de hoogste in Europa.

Door klimaatverandering is waterbeheer en vermindering van het gebruik en de afhankelijk- heid van fossiele brandstoffen van het grootste belang. De overheid streeft, samen met wetenschap en bedrijfsleven naar een duurzame energiehuishouding. Op korte termijn is schone toepassing van fossiele- en biobrandstoffen, het verhogen van de energie-efficiency en energiebesparing en kernenergie mogelijk. Op lange termijn lijken waterstof- en zonnecel- technologie (met name grootschalige zonnecentrales) en kernfusie veelbelovend.

Verbetering aan de bron is vaak efficiënter dan het bestrijden van negatieve milieueffecten. Een belangrijke sleutel tot het oplossen van milieuproblemen ligt daarom in voortdurende technologische innovatie. Gezamenlijke programma"s tussen overheid en het bedrijfsleven moeten kansrijke, rendabele oplossingen, introduceren op de markt. De overheid ondersteunt de export, import, overdracht en toepassing van kennis en technologie. Milieuwetgeving moet dit stimuleren. Belemmeringen in regelgeving worden verwijderd. Milieukosten van niet duur- zame productie worden doorberekend volgens het beginsel "de vervuiler betaalt". Een beter publiek inzicht in het gebruik van energie en (hernieuwbare) grondstoffen bij de productie van diensten en goederen brengt mogelijkheden tot besparing aan het licht. Milieubeleid draagt zo bij aan economische groei en aan het behalen van de Europese Lissabondoelstellingen.

Door de nadruk op ontwikkeling en export van nieuwe kennis en technologie, bijvoorbeeld betreffende energie en waterbeheer, is milieubeleid een belangrijke aanjager voor toekomstige economische groei.

Kunst en cultuur
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Kunstenaars, denkers en wetenschappers hebben in belangrijke mate vormgegeven aan onze nationale identiteit en de beschaving zoals we die vandaag kennen. Juist de liberale traditie is in hoge mate schatplichtig aan culturele voorhoedes (en niet alleen tijdens Renaissance en Verlichting) die vernieuwingen aanreikten die later gemeengoed werden. Net als onderwijs en wetenschap behoort kunst en cultuur daarom tot de essentialia van een samenleving die zich ontwikkelt. Het zijn ook de kunsten die publiekelijk vertolken en overdragen wat een samen- leving belangrijk vindt.

Een bloeiend kunst- en cultuurleven komt vooral tot stand door de aanwezigheid van veel talent, de behoefte van de toeschouwers, bezoekers en gebruikers en de onvermoeibare inzet van een enorm aantal enthousiaste kunstbeoefenaars, organisatoren, bestuurders, fondsenwervers, financiers en andere ondersteuners. De staat speelt in het geheel van de financiering van vraag en aanbod een beperkte rol. Het overgrote deel van het kunst- en cultuurleven wordt gerealiseerd door particulier initiatief en gefinancierd door de werking van het markt- mechanisme.

De rol van de staat is dus relatief bescheiden. Hij moet zich vooral concentreren op het bewaken en in stand houden van de "schatkamer" (cultureel erfgoed), het koesteren van de "kraamkamer" (zorgen voor goed kunstonderwijs en autonome kunstbeoefening mogelijk maken), het bevorderen van kwaliteitsverbetering en het stimuleren van passieve en actieve deelname aan de kunsten. De staat moet zich verre houden van het najagen van allerhande politieke en maatschappelijke doelstellingen door middel van het cultuurbeleid.

Zoals vorige generaties onze samenleving hebben verrijkt met indrukwekkende toevoegingen aan ons nationale kunstbezit en de architectuur, moeten wij in onze tijd zorgen voor een belangwekkende nalatenschap voor volgende generaties. Mede daarom is de schepping van kunstzinnige hoogtepunten zo belangrijk. Wij zijn trots op Rembrandt en Frans Hals en bewonderen de Amsterdamse grachten met hun schitterende architectuur. En zo moeten onze prestaties de trots van toekomstige generaties zijn. Daarom en omdat een bloeiend, divers en kwalitatief hoogstaand kunstaanbod een in sterke mate kan bijdragen aan het maat- schappelijke welzijn en de sociale cohesie is een substantieel staatsaandeel in de financiering gerechtvaardigd.

4) BURGERSCHAP
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

IDENTITEIT, IMMIGRATIE, INTEGRATIE
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Wat bindt de zestien miljoen burgers die in Nederland samenleven? Dat is de vraag van de nationale identiteit. Wij menen dat het bescheiden vrijheidsstreven en het nuchtere burgerschap bij uitstek Nederlandse waarden zijn. Daarop kunnen wij bouwen om een "wij" te formuleren dat Nederland de komende decennia vooruit kan stuwen.

Nationale identiteit
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

In het debat over nationale identiteit en burgerschap bestaan twee scholen. Sommigen stellen: het gaat puur om de spelregels van een democratische samenleving, om de basisnormen en grondwaarden: gelijkwaardigheid van man en vrouw, verbod op discriminatie, scheiding van Kerk en Staat. Je hoeft je geen Nederlander te voelen, trots op de Grondwet zou volstaan om ernaar te handelen. Dat is een mooie, zuiver liberale opvatting, maar erg formalistisch. De andere school zegt: formalisme is niet genoeg, je moet aan burgerschap ook inhoud meegeven, substantie, emotie. Niet alleen de kale regels, maar ook geschiedenis, een gedeelde toekomst.

Je moet spreken over Rembrandt en Cruyff, over Lobith en de Deltawerken, over christendom en humanisme. De discussie gaat dan over de invulling van die identiteit. Daar is het dilemma: hoe preciezer je het invult, hoe meer mensen je buitensluit.

In de praktijk blijft het schipperen tussen de lege huls en het ingevulde plaatje, tussen de "dunne" en de "dikke" vorm van nationale identiteit. Sommige landen weten beide handig te combineren. Zo is in Frankrijk iedereen trots "citoyen" te zijn, omdat de Fransen aan de wereld het idee van vrijheid en gelijkheid schonken. Evenzo voor de Verenigde Staten: veel immigran- ten willen onmiddellijk Amerikaan worden zodra ze het "Statue of Liberty" in het vizier hebben.

Dat is de kracht van politiek burgerschap.

Hier ligt een formidabele kans voor een invulling van het Nederlandse burgerschap. Want ook wij hebben een eeuwenlange bijdrage geleverd aan de totstandkoming en verbreiding van de moderne vrijheid. Daarop kunnen wij onze nationale trots baseren. Te denken valt aan de inspi- rerende rol van de zeventiende-eeuwse Republiek, aan de invloed van de Amsterdams-joodse filosoof Spinoza, of aan de vluchthaven die ons land bood aan verlichte denkers als René Descartes, Pierre Bayle of John Locke. Nederland heeft gouden materiaal voor een liberale heldengalerij, waaraan alle inwoners van dit land zelfbewustzijn zouden kunnen ontlenen.

Immigratie
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

De vraag van nationale identiteit is klemmender geworden met de naoorlogse immigratiegolf. De binnenkomst van nieuwe bevolkingsgroepen betekende de ingrijpendste sociale verandering die de Nederlandse samenleving sinds 1970 heeft doorgemaakt. Inmiddels zijn van de zestien miljoen Nederlanders meer dan anderhalf miljoen afkomstig uit niet-westerse landen (eerste en tweede generatie). De gevolgen doen zich voelen in wijken en scholen door het hele land. Als de staat niets doet, dreigen gettoïsering, segregatie en toenemende politieke spanningen.

Het liberale programma staat of valt met de succesvolle integratie van immigranten.

De liberale drieslag van Frits Bolkestein luidde al: beperk immigratie, bevorder integratie, bestrijd discriminatie. Nederland voert een restrictief toelatingsbeleid. Politieke vluchtelingen zijn en blijven voor de VVD uiteraard welkom. Het gaat dan om diegenen die in hun eigen land worden vervolgd om hun opvattingen. Misbruik van de asielprocedure en zinloos doorproce- deren moeten worden voorkomen. Een asielzoeker heeft daarom alleen recht op door de Nederlandse staat betaalde rechtsbijstand ten behoeve van de eerste asielprocedure. Kosten voor rechtsbijstand in tweede en volgende asielprocedures of in andere verblijfsrechtelijke procedures komen voor eigen rekening. Voor immigranten die zich om louter economische redenen melden is er beperkt toegang: alleen toegang voor diegenen waar de arbeidsmarkt behoefte aan heeft.

Migranten die hier tijdelijk zijn, waaronder alle economische migranten, krijgen niet alle rech- ten van staatsburgers. Op hun terugkeer na de afgesproken periode wordt streng toegezien. Aan migranten die hier permanent willen blijven, worden hoge eisen gesteld alvorens het staats- burgerschap wordt toegekend. Naast de eisen aan de individuele immigrant (met betrekking tot baan, strafblad, eventuele partner, enz.) wordt de afzonderlijke politieke afweging gemaakt van de aantallen arbeidsmigranten die Nederland toelaat. Kwalificatie is één ding, quotering een ander. Handhaving van de gemaakte afspraken tussen staat en migrant is hier cruciaal.

Integratie
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

De problematiek van de integratie van niet-westerse migranten in de Nederlandse samenleving is lange tijd ernstig onderschat. Misleidende historische argumenten verbloemden het unieke karakter van de huidige immigratiegolf. Het lukte toch ook met de tienduizenden immigranten uit de Zuidelijke Nederlanden in de zeventiende eeuw, met de Hongaarse vluchtelingen uit de jaren vijftig en zestig en met de Surinamers van rond 1975? Dus waarom nu niet? Het succes van deze groepen lag in respectievelijk ondernemingszin, een zeer hoog scholingsniveau en de beheersing van de Nederlandse taal. De les die we hieruit kunnen leren is dat werklust, onderwijs en Nederlands spreken cruciaal zijn.

De immigratie van de afgelopen decennia was een wezenlijk nieuw fenomeen. Voor het eerst was de culturele afstand tussen de immigranten en de autochtone bevolking zo groot, was het zo eenvoudig om blijvend contact met het moederland te houden, en arriveerden immigranten in een verzorgingsstaat die weinig prikkels tot economische integratie bood. Te weinig immi- granten slaagden erin aan deze integratiebelemmerende factoren te ontsnappen.

Het beleid van de Nederlandse staat was daarbij eerder hinder dan hulp. Ten onrechte is lang gedacht dat men aan binnenkomers geen eisen hoefde te stellen ("want integratie zou vanzelf gaan") en zelfs geen eisen mocht stellen ("want wie zijn wij om eisen te stellen?"). Te lang heeft politieke correctheid, gekenmerkt door cultuurrelativisme en angst voor racisme en discrimi- natie, een fundamentele discussie over de vraagstukken die de integratie met zich meebracht, in de weg gezeten. Dit is er mede de oorzaak van dat de politiek de legitieme zorgen van de burgers lange tijd heeft genegeerd en dat de integratieproblematiek nu buitengewoon ernstig en urgent is. De VVD is gelukkig dat het politieke tij eindelijk is gekeerd.

Wat is geslaagde integratie? Een migrant is goed geïntegreerd als hij volop meedraait in de Nederlandse samenleving. Hij spreekt de taal, werkt, betaalt belasting, stemt, houdt zich aan de wet, stuurt zijn kinderen naar school en toont loyaliteit jegens de staat die hem heeft opgenomen. Dit zijn allemaal dingen die wij ook van de Nederlanders verlangen. Met andere woorden: de geïntegreerde immigrant is een burger geworden, in de ruimste zin des woords.

Dat mogen we verwachten van mensen waarvan wij met ons allen hebben besloten ze binnen te laten.

Maar dan moeten we ook afrekenen met de termen "autochtoon" en "allochtoon". Mensen zijn Nederlander of (nog) niet. In lijn hiermee streeft de VVD naar de beperking van de mogelijk- heden van de dubbele nationaliteit. Zeker, elk modern individu voelt een palet aan gefragmen- tariseerde identiteiten en bindingen, maar de primaire politieke identiteit is één. De verwerving van het Nederlandse staatsburgerschap dient dan ook symbolisch te worden gemarkeerd. Dat kan tevens het moment zijn waarop de migrant alle rechten en plichten van Nederlanders verwerft (inclusief ­ en pas dan ­ volledige toegang tot de sociale zekerheid).

Liberaal integratiebeleid is dus geen "laissez-faire". Er is een liberale ondergrens, een minimum wat mensen nodig hebben en waaraan ze moeten voldoen om in deze samenleving te kunnen opereren. Maar er is ook een liberale bovengrens. Tot hier zeggen we hoe het moet en dan zoekt u het maar uit. Is de immigrant eenmaal een zelfstandige burger die Nederlands spreekt en zich aan de wet houdt, dan is hij vrij te doen wat hij wil.

Wij verlangen dus niet van immigranten dat zij onvoorwaardelijk alle gewoontes, waarden en kenmerken van Nederlanders overnemen. Zelf zijn wij wellicht trots op onze soberheid, eer- lijkheid en vrijzinnigheid, maar op buitenlanders en binnenkomers komen deze eigenschappen vaak over als krenterigheid, botheid en zedeloosheid. Evenmin zal iemand ­ en een liberaal zeker niet ­ aan immigranten Hollandse eet- en kleedgewoontes willen opleggen.

Wat wij wel onvoorwaardelijk van immigranten kunnen en moeten verlangen is naleving van de kernnormen en aanvaarding van de kernwaarden van onze moderne samenleving. Dan betreft het zaken als: de grondwet en de rechtsstaat, de vrijheid van het individu, de gelijkwaardigheid tussen man en vrouw, het non-discriminatiebeginsel, de vrijheid van meningsuiting, tolerantie en het geweldsmonopolie van de staat. Dit zijn de voorwaarden waaronder een moderne samenleving van vrije burgers kan functioneren. Deze voorwaarden zijn echter niet typisch Nederlands. Andere westerse democratieën kennen ze ook ­ in zeer vergelijkbare patronen.

Met deze fundamentele zaken mag van de VVD niet worden gemarchandeerd.

Pas als deze algemeen-moderne regels zijn veiliggesteld, komt de vraag terug: is dat ook genoeg om onze Nederlandse samenleving bijeen te houden? Is niet ook een gevoel-van-binnen vereist? De VVD streeft naar een grotere loyaliteit van immigranten bij de Nederlandse staat.

Daarom zijn wij voorstander van meer aandacht voor het geschiedenisonderwijs: een grotere betrokkenheid bij gemeenschappelijke geschiedenis, trots op wat in het verleden tot stand is gebracht, kan mensen ook in het heden binden. Liberalen vinden echter niet dat wij mensen kunnen verplichten tot het hebben van nationale sentimenten voor Erasmus, de Afsluitdijk of Oranje. Uiteindelijk tonen de politieke identiteit en de mate van inburgering zich in gedrag.

Daarop kunnen wij mensen afrekenen. Gedragen immigranten zich als burgers van Nederland of leven ze met hun portemonnee elders? Betalen zij belasting of weigeren ze die af te dragen? Sturen zij hun kinderen naar school of onttrekken ze hen aan de leerplicht? Op dergelijke uiterlijke tekenen van inburgering moet de staat serieus letten.

Religie
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Het onderscheid tussen gevoelens en gedrag, tussen de "binnenkant" en de "buitenkant", is eveneens leidend in de liberale omgang met religie. In tegenstelling tot sommige andere poli- tieke stromingen bemoeien liberale politici zich niet met wat mensen diep in hun binnenste geloven. De geest is immers vrij. Maar er is een duidelijke grens. Wanneer religieuze beleving een gevaar wordt voor de openbare orde of voor het vreedzaam samenleven, dan grijpt de staat in, uit naam van de tolerantie. Zo gebeurde het al in de zestiende eeuw. Toen in 1535 in Amsterdam een groep Wederdopers in opstand kwam om een christelijke theocratie te vestigen, sloeg het stadsbestuur deze radicale opstand hard neer. Dit tot grote tevredenheid van de meerderheid der burgers.

Vandaag de dag is het een andere religie waarvan sommige aanhangers de democratische orde en samenleving uitdagen, de Islam. Het aantal aanhangers van die godsdienst is inmiddels opgelopen tot iets onder de één miljoen, voor tweederde van Marokkaanse en Turkse afkomst. Hoewel ook "oude" Nederlanders zich tot deze religie hebben bekeerd, hangt de omgang met de Islam in de beeldvorming sterk samen met de integratie van immigranten. Enkele van bovengenoemde kernwaarden van de moderne Nederlandse samenleving ­ met name de gelijkwaardigheid van man en vrouw, gelijkwaardigheid van homo"s en hetero"s, vrijheid van meningsuiting, religieuze tolerantie, scheiding van Kerk en Staat ­ botsen met de theologische waarden van de Islam. Deze botsing doet zich op tal van plaatsen voor en raakt velen: op scholen, op straat, op het werk. De kwestie domineert al enige jaren het publieke debat. Wat is hierop het liberale antwoord?

Het is zaak dat de VVD het liberale, verlichte erfgoed hervindt. Daartoe dienen wij ons aller- eerst te realiseren dat het politieke liberalisme is ontstaan als antwoord op de godsdienstoor- logen die Europa in de zestiende en zeventiende eeuw verscheurden. De vrijheid van geweten en van godsdienst vormt, samen met het recht op privé-bezit, een van de twee pijlers van het liberalisme. Ten tweede dienen wij te beseffen dat ­ bijvoorbeeld ­ het antisemitisme tot enkele decennia geleden een katholiek geloofsartikel was en er nog steeds een Nederlandse gereformeerde partij is die vrouwen het passieve kiesrecht ontzegt. De macht van de theolo- gen is inmiddels fors teruggedrongen uit het publieke domein ­ al is dat feitelijk nog maar kort geleden. Juist liberale denkers hebben altijd geijverd voor die combinatie van religieuze tolerantie en een neutraal publiek domein die een geweldloze moderne samenleving mogelijk maakt.

De les hieruit is dat de liberale strijd niet dient te gaan tegen de Islam als zodanig. De liberale strijd gaat tegen elke publieke verschijning van religieuze intolerantie. Hier ligt een voorname taak voor de staat, die er uiteraard op bedacht moet zijn dat de religieuze intolerantie van nu vooral wordt gevoed vanuit de Islam.

Dit betekent concreet dat de VVD vindt dat er hard moet worden opgetreden tegen elke vorm van haatzaaiing en geweld of aansporing daartoe in kerken of moskeeën, op scholen en in de media. Preken, godsdienstlessen, satellietuitzendingen en internetpagina"s moeten worden verboden of uit de lucht gehaald indien zij strafbare inhoud bevatten. Alleen zo kan de VVD de grondbetekenis van de liberale tolerantie hervinden. Te lang stond religieuze tolerantie gelijk aan onverschilligheid ("laat ze preken wat ze willen"), met vreselijke consequenties. Uit dat echec moeten wij echter de juiste conclusie trekken: niet de religieuze tolerantie vervangen door islamofobie of seculiere bekeringsdrang, maar strijden tegen elke manifestatie van into- lerantie. Die belangrijke opdracht voor onze samenleving valt toe aan het liberalisme.

ONDERWIJS EN OPVOEDING
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Elke representatieve democratie staat voor een groot dilemma. Enerzijds behoort de staat zich niet te bemoeien met de politieke overtuigingen van de burger en die als gegeven te aan- vaarden, aangezien een dergelijke inmenging de herinnering zou oproepen aan de manipulatie van burgers door totalitaire regimes. Vandaar ook dat voor "normen en waarden" geen plaats is op de politieke agenda. Anderzijds, geen samenleving kan functioneren zonder dat de individuen daarbinnen een groot aantal normen en waarden gezamenlijk delen en zonder een publieke orde. Daarmee valt aan het onderwijs een nieuwe en gewichtige taak toe, namelijk de opvoeding tot de staatsburger die zijn eigen belangen tegen het algemeen belang kan afwegen en die het resultaat van die afweging kan verwoorden op een wijze die past binnen onze representatieve democratie.

Uiteraard begint de opvoeding thuis. Een slechte opvoeding werkt door in de effectiviteit van het onderwijs. Opvoeding is cruciaal voor de start van kinderen als verantwoordelijke burgers. Het is niet aan de staat om zich met de opvoeding te bemoeien, maar wel met evident onge- wenste uitwassen daarvan. Afwachten en aan de zijlijn blijven staan terwijl kinderen ernstig lijden onder falende opvoeders is ook niet acceptabel. Hier ligt een belangrijke taak voor leerkrachten die signalen moeten oppakken die duiden op fout gedrag. Ook huisartsen hebben vaak de informatie die nodig is om op tijd te kunnen ingrijpen. Als huisartsen, onderwijzers, jeugdzorg en de kinderbescherming de handen ineenslaan kan een hoop ellende worden voor- komen.

Het onderwijs is de belangrijkste taak van de regering na haar rol als "nachtwaker" (zorg voor veiligheid, openbare orde en justitie) en heeft daarmee een hogere prioriteit dan sociale zorg.

Het onderwijs in de Nederlandse taal, in de Nederlandse geschiedenis, in hoe die geschiedenis de politieke en sociale identiteit van onze natie heeft gevormd (de "canon"), in de politieke instellingen van Nederland en van de Europese Unie moet bijdragen aan "burgerschapsvorming".

Dit betekent overigens niet dat "burgerschapsvorming" een apart schoolvak zou moeten zijn (want dat leidt alleen maar tot ijl geklets).

Om te zorgen dat deze "burgerschapsvorming" ook werkelijkheid wordt, dient artikel 23 van de Grondwet te worden gewijzigd. Een historische situering is hier op zijn plaats. Artikel 23 was in 1917 een concessie van de liberalen en socialisten aan de christen-democraten in ruil voor het algemeen kiesrecht. Daarmee werd tachtig jaar schoolstrijd beslecht. Niemand wil die schoolstrijd weer oprakelen. De pacificatie van 1917 is een mijlpaal in de Nederlandse politieke geschiedenis. Deze historische nederlaag van de liberalen dient echter niet achteraf als liberale overwinning ("vrijheid") te worden gepresenteerd. Vanuit liberale beginselen is er geen goede reden te bedenken waarom de staat scholen op religieuze grondslag zou financie- ren. Voor zover bijzondere scholen in het huidige financieringssysteem een voordeel genieten ten opzichte van openbare, dient de staat dit te corrigeren. Liberalen vinden in beginsel dat het onderwijs niet langs religieuze lijnen moet zijn georganiseerd. Het onderwijs ­ en des te meer de kennis die wordt onderwezen ­ is niet katholiek, protestant, islamitisch of atheïstisch, maar seculier. Samen met de ouders vormt onderwijs kinderen tot burgers die in de publieke ruimte met hun medeburgers kunnen samenleven. Dat moet de toetssteen zijn waarlangs de vrijheid van onderwijs wordt gelegd.

Aan het huidige lid 2 dient daartoe de cursieve zinsnede te worden toegevoegd: "Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezicht van de overheid en het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid van hen die onderwijs geven, en mits het onderwijs vrij is van discriminatie op levensbeschouwelijke gronden (cf. artikel 1 van de Grondwet) en voorts gebaseerd op aanvaarding van de bestaande Nederlandse rechtsorde. De regering ziet er op toe dat aan deze voorwaarden is voldaan." Ook wordt in lid 5 "vrijheid van richting" vervangen door "vrijheid van richting, zoals bedoeld in lid 2".

Het bestaande christelijke, algemeen bijzonder en overig bijzonder onderwijs kan met deze herformulering in beginsel gehandhaafd blijven, terwijl aan levensbeschouwingen die strijdig zijn met letter en geest van de (Grond-)wet de vrijheid van richting en inrichting van onderwijs niet wordt gegund. Ook bijvoorbeeld islamitische scholen kunnen met een beroep op artikel 23 worden opgericht dan wel blijven voortbestaan, mits hun onderwijspraktijk voldoet aan de grondwettelijke eis. Daarbij is het uitsluitend aan de regering om te bepalen of er sprake is van de zojuist bedoelde strijdigheid of niet. Zij doet dit door aan de onderwijsinspectie de opdracht te verlenen toe te zien op de uitvoering van genoemde bepalingen en om haar te verplichten om alle met goede redenen omklede klachten door leerlingen, leraren of ouders over inbreuken op die bepalingen in onderzoek te nemen. De staat schroomt niet een school te sluiten als die inbreuk systematisch is. Daartoe heeft de staat het volste recht. De demo- cratie en de publieke orde gaan aan de vrijheid van onderwijs vooraf.

Gezien het grote maatschappelijke belang van het leraarschap behoort het in hoog aanzien te staan. De leraar is de "opvoeder van de natie"; hij moet zorg dragen voor culturele en maatschap- pelijke continuïteit. De kwaliteit van zijn onderwijs is de voorwaarde van het vermogen van ons land zich een plaats te heroveren in een wereld die in toenemende mate door kennis en wetenschap wordt beheerst. Aan de bron staan de lerarenopleidingen zelf: die moeten van de hoogste kwaliteit zijn. De noodzaak van continue bijscholing voor leraren wordt erkend, zoals in het algemeen in de samenleving het beginsel van "een leven lang leren" wordt bevorderd.De staat dient de onderwijzer, de leraar en wetenschappelijke onderzoeker een werkklimaat te bieden dat recht doet aan het immense belang van hun arbeid. Onderwijs gedijt alleen bij rust; een drastische reductie van de omvang van het departement van OCW is hiertoe de belangrijkste voorwaarde. Onderwijshervormingen moeten niet lichtzinnig worden ingevoerd en kunnen rekenen op brede maatschappelijke steun.

In het basis- en voortgezet onderwijs wordt meer dan nu plaats ingeruimd voor lichamelijke opvoeding, inclusief gezondheid en voeding. Voor veel kinderen is de school de enige plek waar ze kennis maken met sport. Behalve aan ieders lichamelijk welzijn, draagt sport bij aan de integratie van kinderen in de samenleving. De gymles kan de opstap zijn naar participatie in het verenigingsleven. Topsporters hebben een belangrijke voorbeeldfunctie voor jongeren en verdienen ook vanuit die optiek ondersteuning.

In het voorgezet onderwijs moet men de ideologie van middenschool en basisvorming opgeven ten gunste van een systeem dat optimaal tegemoet komt aan de differentiatie in intelligentie, talent en inzet van de leerlingen zelf. Ook bij andere onderwijsvormen dient elke leerling vol- doende ruimte te krijgen om zijn of haar eigen talenten en capaciteiten maximaal te kunnen ontwikkelen.

Het beroepsonderwijs is de motor van onze kenniseconomie. Het moet dan ook aan de hoog- ste eigentijdse eisen voldoen en goed afgestemd zijn op de beroepspraktijk. Daarnaast zal er een goede aansluiting tot stand moeten komen tussen het VMBO, het MBO en het HBO. Tijdens de vierjarige HBO-opleiding staat het verwerven van kennis, inzicht en vaardigheden voorop in overleg met en afgestemd op het nationaal en internationaal afnemend veld.

De Nederlandse universiteiten opereren op een nationale en een internationale markt: de concurrentie neemt toe en de nationale grenzen, gebruiken en gewoontes vervagen. Zonder hun authenticiteit te verliezen moeten de universiteiten inspelen op deze veranderende maat- schappelijke omgeving. De universitaire bachelor duurt drie jaar en de master minstens ander- half jaar. Er is studiefinanciering van zodanige hoogte dat de student voor zijn levensonderhoud niet afhankelijk is van bijbaantjes. Daarbij kan ook worden gedacht aan een goed functionerend leningensysteem. De prestaties van het Nederlands (hoger) onderwijs mogen niet onderdoen voor het gemiddelde van de top-vijf in de EU. De universiteiten krijgen de vrijheid te kiezen tussen duur en excellent onderwijs voor kleine aantallen en goedkoop en goed onderwijs voor grotere aantallen ­ en alles daartussen in. Het wetenschappelijk niveau van de universiteiten wordt gegarandeerd door hen met elkaar te laten concurreren. Bij de toewijzing van subsidies in de eerste en tweede geldstroom wordt rekening gehouden met verschillen tussen disciplines.

Meer in het bijzonder, in de exacte wetenschappen wordt bij voorkeur het onderzoek, in de alfa- en gammavakken bij voorkeur de onderzoeker gesubsidieerd.

Tot slot: het onderwijs, in het bijzonder het beroepsonderwijs, vervult de fenomenale taak van het opleiden van de vakkrachten en uitvoerders die onze economie en samenleving draaiend houden. De staat dient erop toe te zien dat de opleidingen tot verpleger, politieagent of elek- tricien aan de hoogste, eigentijdse eisen voldoen. Het besef dat ieder op de werkvloer ­ in al die bedrijven, ziekenhuizen of politiebureaus ­ zijn eigen verantwoordelijkheid heeft en niet slechts onderdeel is van een anoniem en fabrieksmatig gemanaged proces, staat daarbij voorop. De mens staat centraal. Meer misschien dan de democratie in het groot, is het zulk daadwerkelijk burgerschap dat de Nederlandse samenleving ten goede zal komen.

5) DE PARTIJ
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Het parlement is het hart van de democratie. Zonder een krachtig parlement hebben politieke partijen zin noch betekenis. En zonder politieke partijen heeft het electoraat geen instrument om zijn wensen kenbaar te maken. Dan is er geen sprake van democratie in de eigenlijke zin van het woord: regeren van en door het volk. De VVD gelooft niet in de directe democratie omdat deelbelangen en de waan van de dag daarin te gemakkelijk de doorslag kunnen geven. Voor belangrijke zaken is een openbaar debat nodig waarop diegenen die het voeren ook kunnen worden afgerekend. In een directe democratie gebeurt dat niet.

In de parlementaire democratie is wel voor iedereen duidelijk wie waar verantwoordelijk voor is: regering en parlement voor het afwegingsproces, de regering voor de uitvoering, het parle- ment voor de controle daarop. Daarom pleit de VVD voor een behoud en herstel van de staatssoevereiniteit op die gebieden waar de staat behoort te acteren.

Met een herwaardering van de rol van de staat, versterking van de beslissingsmacht en slag- kracht van het politieke centrum en een versterking van de wetgevende en controlerende macht zal de partijpolitieke organisatiestructuur in Nederland eerder aan kracht winnen dan inboeten. Via politieke partijen vindt immers het rekruteren en inzetten van politiek en bestuurlijk "personeel" plaats en in partijverband worden de discussies over politieke stand- punten gevoerd. Er is geen beter alternatief om in een representatieve democratie tot een consolidatie van politieke meningen en selectie van volksvertegenwoordigers en bestuurders te komen.

Met een ledenbestand dat veel kleiner is dan het aantal kiezers mag duidelijk zijn dat de politieke partijen, ook de VVD, een legitimiteitsprobleem hebben. Wil de rol van de partij worden versterkt, dan moet de aantrekkelijkheid van het partijlidmaatschap en daartoe de betrokkenheid van de partijleden worden vergroot.

Alles staat of valt met een open partijcultuur, waarbij publieke gedachtenwisselingen worden aangemoedigd en een debatcultuur de toon zet. Daarin heeft de VVD de laatste tijd onmisken- baar verbeteringen te zien gegeven. Op alle niveaus in de partij ontstaan duidelijke agenda"s voor openbaar debat. Initiatieven van leden krijgen hierin de ruimte. Maar het kan nog veel beter. Om te beginnen moet er een goede databank zijn, waarin van de leden, met hun toe- stemming, informatie is opgeslagen over hun interesses en deskundigheden, zodat daar alle geledingen daar on-line gericht gebruik van kunnen maken. Daardoor kan de kring van deel- nemers aan het politieke en wetenschappelijke debat in de VVD aanzienlijk worden verruimd.

De VVD wil daarbij ook effectief functioneren als onderdeel van een Europese liberale democratische partij. Het is in het belang van de VVD om met activiteiten die gericht zijn op het betrekken van niet-leden en maatschappelijke organisaties het draagvlak van de VVD te vergroten.

Het politieke personeel
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Bij de werving en selectie van potentiële volksvertegenwoordigers of bestuurders moet kwa- liteit altijd gaan voor geslacht of beloning voor trouwe dienst. Een evenwichtige geografische spreiding wordt nagestreefd. Voorafgaand aan verkiezingen vindt altijd een evaluatie door de leden plaats van het functioneren van volksvertegenwoordigers en bestuurders. In de aan- loopfase zijn er al functioneringsgesprekken met elk fractielid zowel door de fractievoorzitter als het betreffende bestuur. Die monden uit in een advies aan het lid zich al dan niet opnieuw verkiesbaar te stellen. De ledenvergadering stelt een profiel vast aan de hand waarvan het bestuur een advieslijst opstelt. De leden bepalen tenslotte direct de lijstvolgorde. De uitkomst van de ledenevaluatie is doorslaggevend bij een eventuele herplaatsing op de kieslijst of een rentree in kabinet of bestuurscollege. Geen automatismen, geen tweede kans voor evidente brokkenpiloten. De lijsttrekker wordt, landelijk zowel als lokaal en regionaal, rechtstreeks door VVD-leden gekozen. Daartoe vinden voorverkiezingen plaats waar kandidaten hun programma presenteren. Deze voorstellen zijn geheel in de geest van de na mei 2002 ingezette partijver- nieuwing.

In aanvulling hierop moet de gekozen lijsttrekker een vergaande stem krijgen in de samen- stelling van de kieslijsten om hem of haar de kans te bieden zijn of haar programma ook te realiseren. Te denken valt aan een zwaarwegend advies voor de eerste tien kandidaten op de kieslijst. De lijsttrekker krijgt daarmee een optimale gelegenheid zich te profileren als politiek leider. Om aan die rol goed inhoud te geven moet voor de lijsttrekker bij de Tweede- Kamerverkiezing gelden dat deze na verkiezingen de voorzitter van de Tweede-Kamerfractie wordt en geen zitting neemt in een kabinet, tenzij als minister-president.

Gekozen partijvoorzitter
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

De voorzitter is namens het Hoofdbestuur primair verantwoordelijk voor het goed functioneren van de organisatie: ledenbinding, ondersteuning van VVD"ers in welke functie dan ook, rekru- tering en selectie, discussie en standpuntbepaling door de leden, intermediair tussen leden/ kiezers en gekozenen, functioneren partijbestuur, public relations, financiën, personeel en organisatie, algemeen secretariaat, enz. De voorzitter is de eerste aanvoerder van de partij- leden en speelt als zodanig een belangrijke rol als schakel tussen de politiek leider, de bestuurders, de volksvertegenwoordigers en de leden.

Pluriforme partij
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Zoals liberalen een pluriforme samenleving willen, bestaande uit individuen met hun eigen inzichten, voorkeuren en meningen, is ook de VVD zelf een samenleving die zich kenmerkt door diversiteit en uiteenlopende opvattingen. Het heeft geen zin hier dirigistisch in te opereren en de ene of de andere stroming in het liberalisme tot dominant te verklaren. Niet alleen zou dat haaks staan op wezenskenmerken van de liberaal ­ individuele vrijheid, keuzevrijheid, plurifor- miteit ­ , het zou bovendien geen recht doen aan de werkelijkheid van een partij die nu eenmaal brede vleugels in zich verenigt. Als de VVD zelf al geen kans zou zien pluriformiteit te herbergen en te garanderen, waarop zou dan het vertrouwen berusten dat de partij wel borg kan staan voor verscheidenheid in de Nederlandse samenleving? Daarom is een links-rechts discussie, los van de verwarring en inflatie waaraan deze begrippen inmiddels onderhevig zijn, onzinnig. Het gaat niet om sociaal-liberaal of klassiek-liberaal, om ontplooiingsliberalen of utilitaristische liberalen, om links of rechts, maar om de tegenstelling tussen het individualisme en het groepsdenken, tussen de zelfbeschikking en de groepsdwang, tussen de individuele vrijheid en het harnas van collectiviteit en corporatisme. Uiteindelijk gaat het om de vraag: willen we een defensief liberalisme of gaan we in de aanval? De keuze is snel gemaakt.

HET LIBERALE KOMPAS
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

In dit Manifest, zoals in het vorige, is het liberale gedachtengoed grondslag voor de beoordeling van maatschappelijke problemen en het maken van liberale keuzes. Het is goed om dat gedachtengoed aan het slot van dit Manifest nog eens samen te vatten.
  1. Het individu en de vrije omgang tussen mensen staan voorop. De VVD gelooft in de kracht van het individu.
  2. De staat zorgt ervoor dat de burgers vrij met elkaar kunnen verkeren door de algemene veiligheid te beschermen. Veiligheid is voor de VVD de eerste prioriteit.
  3. De staat draagt zorg voor een vrije markteconomie. De VVD geeft ruimte aan ondernemingszin.
  4. Verantwoordelijkheden horen op de juiste plaats, dat geldt voor staatsorganen en burgers. De VVD is voor bestuurlijke helderheid en tegen onterechte afwenteling.
  5. De gemeenschap draagt er zorg voor dat niemand zijns ondanks in vernederende armoede hoeft te leven en dat ieder zich vrij kan ontwikkelen. De VVD is sociaal.
  6. De burger moet zich vertegenwoordigd weten in de organen van de staat. Het moet helder zijn wie hij ter verantwoording kan roepen. Voor de VVD is de burger de baas.
  7. Vertrouwen is de basis voor goed bestuur. Wie dat beschaamt moet weg. De VVD staat voor een betrouwbare staat.
  8. Het individu kan niet bestaan zonder vrijheidsrechten. De staat garandeert deze en komt op voor de burger zodra ze worden geschonden. Het gaat de VVD om de vrijheid!




BIJLAGE
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

SAMENSTELLING COMMISSIE LIBERAAL MANIFEST
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]
Geert Dales, voorzitterBurgemeester van Leeuwarden
Nurten Albayrak-TemurAlgemeen directeur Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers
Ineke AlsemSenior beleidsmedewerker welzijn van de Maatschappelijk Ondernemers Groep, Utrecht
Frank AnkersmitHoogleraar intellectuele en theoretische geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen
Arthur Docters van LeeuwenVoorzitter Autoriteit Financiële Markten
Luuk van Middelaar, secretarisPolitiek secretaris van de VVD-Tweede-Kamerfractie
Secretariële ondersteuning:Alexander Oostermeijer, Algemeen Secretariaat van de VVD


BEGINSELVERKLARING VAN DE VVD
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

ARTIKEL 1, De grondslag van de VVD
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

De volkspartij voor Vrijheid en Democratie staat als liberale partij open voor een ieder die de overtuiging heeft, dat vrijheid, verantwoordelijkheid, verdraagzaamheid, sociale rechtvaardig- heid en de gelijkwaardigheid van alle mensen de fundamenten behoren te zijn van elke samenleving.

De beginselen die uit deze overtuiging voortvloeien, aanvaardt zij als grondslag van haar politiek.

ARTIKEL 2, De mens
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Elk mens is een unieke persoonlijkheid, die daarom de mogelijkheid moet hebben zich met besef van zijn verantwoordelijkheid voor anderen, de gemeenschap en de omgeving waarin hij leeft, te ontplooien naar eigen aard, aanleg en levensovertuiging.

Aangezien hij leeft in een gemeenschap van gelijkwaardige medeburgers, moet hij de bereid- heid hebben anderen te nemen zoals zij zijn en waar mogelijk met hen samen te werken ten behoeve van de samenleving.

ARTIKEL 3, De samenleving
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Een veelvormige samenleving, die bovenal gekenmerkt behoort te zijn door naastenliefde en erkenning van de menselijke waardigheid, biedt de beste voorwaarden voor de verwezenlijking van dit liberale mensbeeld.

ARTIKEL 4, De vrijheid
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Een zo groot mogelijke vrijheid van de mens, zowel in geestelijk en staatskundig als in materi- eel opzicht, is een onmisbare voorwaarde voor zijn ontplooiing. Deze vrijheid komt ieder mens toe zonder enige vorm van discriminatie. Bij het gebruiken van die vrijheid moet de mens zich verantwoordelijk weten voor zijn medemensen, die evenzeer recht hebben op een zo groot mogelijke vrijheid. Tevens moet hij rekening houden met de belangen van toekomstige gene- raties.

ARTIKEL 5, De rechten van de mens
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

De mens is geestelijk vrij als hij in woord, geschrift en gedrag uiting kan geven aan zijn gevoelens en opvattingen, zich naar eigen verkiezing kan bewegen en met anderen van gedach- ten kan wisselen. Hij dient daarbij de rechten en gevoelens van anderen te respecteren. Hij heeft recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.

De staatkundige vrijheid van de mens kan slechts verzekerd zijn in een bestel waarin het gezag van de uitvoerende machten is gegrondvest op het vertrouwen van vertegenwoordigende lichamen, op democratische wijze gekozen op basis van evenredige vertegenwoordiging. Voor verwezenlijking van de vrijheid in materieel opzicht is een maatschappij vereist waarin een ieder uit overwegingen van sociale rechtvaardigheid bereid is offers te brengen ten behoeve van hen, die deze vrijheid nog niet deelachtig zijn.

Bij het streven naar de verwezenlijking van deze vrijheid behoort richtsnoer te zijn de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, die op 10 december 1948 door de derde Algemene Vergadering van de Verenigde Naties werd aangenomen.

ARTIKEL 6, Ontplooiing door onderwijs
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Alle mensen behoren gelijkwaardige mogelijkheden tot ontplooiing te krijgen. Gelijke rechten op onderwijs van hoge kwaliteit in elke levensfase zijn daartoe onmisbaar. Er dient voor ieder mens onderwijs te zijn, dat inspireert tot het verwerven van bij zijn eigen aard en aanleg passende kennis en vaardigheden. Het onderwijs dient daarom gericht te zijn op ontplooiing van de persoonlijkheid en de ontwikkeling van burgerzin; het moet de voorwaarden scheppen om als volwaardig burger in de gemeenschap te kunnen functioneren.

De overheid waarborgt de vrijheid van onderwijs en de gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs. De instandhouding en verdere ontwikkeling van inrichtingen van openbaar en daarmee gelijk te stellen algemeen bijzonder onderwijs, waarin de veelvormigheid van de Neder- landse samenleving het beste weerspiegeld wordt, heeft grote betekenis.

ARTIKEL 7, De sociale markteconomie
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

De vrijheid van de mens komt het best tot uiting in een sociale markteconomie, gegrond op vrije, gedecentraliseerde ondernemingsgewijze produktie en onderlinge mededinging, zowel in de produktie als op de arbeidsmarkt.

ARTIKEL 8, De plaats van de arbeid
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

De mens die daartoe geestelijk en lichamelijk in staat is, dient zich in beginsel zijn vrijheid in materieel opzicht te verwerven door het verrichten van arbeid tegen beloning, hetzij als zelf- standige, hetzij in loondienst. Het deelnemen aan het arbeidsproces is geen doel op zichzelf, maar een onvervangbaar middel om verschillende doeleinden te verwezenlijken. Verschillen in beloning zijn slechts gerechtvaardigd als zij voortvloeien uit verschillen in inspanning en verantwoordelijkheid, uit de aard van de werkzaamheden, de wijze waarop deze worden ver- richt en uit het maatschappelijk nut van de arbeid. Uit een oogpunt van sociale rechtvaardig- heid behoort te worden bevorderd dat een ieder die kan werken, die gelegenheid krijgt menswaardige en zinvolle arbeid te verrichten, die zo dicht mogelijk aansluit bij zijn wensen alsmede zijn verworven kennis en vaardigheden.

Ook voor hen aan wie die gelegenheid niet kan worden geboden, en voor hen die geen betaalde arbeid (meer) kunnen verrichten, alsmede voor hen die vrije maatschappelijke diensten willen verlenen, dient een menswaardig bestaan te zijn verzekerd, evenals voor hen die pensioen- gerechtigd zijn.

ARTIKEL 9, De democratische rechtsstaat
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Het handhaven van de rechtsstaat en van een democratisch staatsbestel vormt een onmisbare voorwaarde voor de vrijheidsbeleving van de burgers. Alleen in een rechtsstaat immers hebben alle burgers gelijke rechten en worden hun grondrechten gewaarborgd, terwijl zij verzekerd zijn van een onafhankelijke rechtsbedeling, ook ten opzichte van de overheid. Het behoort tot de wezenlijke kenmerken van een democratie, dat iedere stemgerechtigde burger invloed kan uitoefenen op de samenstelling van de vertegenwoordigende lichamen; de leden van die lichamen oefenen hun taak evenwel uit in onafhankelijkheid van die burgers.

In een ware democratie worden de besluiten bij meerderheid van stemmen genomen; daarbij wordt rekening gehouden met de opvattingen van minderheden. Beleidsvoorbereiding en besluitvorming worden gekenmerkt door een geest van openheid, waarbij de burgers tijdig zo volledig mogelijk worden geïnformeerd en zij voor wie het te nemen besluit gevolgen heeft, de gelegenheid krijgen tot inspraak. Achteraf dient democratische verantwoording te worden afgelegd over de gronden die tot het besluit hebben geleid.

Een ware democratie kenmerkt zich voorts door een zo ver mogelijk doorgevoerde decentrali- satie, opdat het bestuur zo dicht mogelijk bij de burgers staat.

ARTIKEL 10, De constitutionele monarchie in Nederland
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Hoewel de parlementaire democratie naar liberale opvattingen ook in andere staatsvormen kan functioneren, is voor Nederland de constitutionele monarchie onder het Koningshuis van Oranje, zoals deze zich in onze geschiedenis heeft ontwikkeld, de meest aangewezen staats- vorm.

ARTIKEL 11, De taak van de overheid
[Index] [Top] [Vorige] [Volgende]

Het is de plicht van de overheid er voor te zorgen dat een ieder een zo groot mogelijke vrijheid geniet. Taken die in de samenleving als belangrijk worden onderkend en die niet of niet zelf- standig door individuen of groepen kunnen worden vervuld, behoort de overheid te stimuleren dan wel op zich te nemen.

Aldus zijn de taken van de overheid als beschermend en dienend orgaan van de individuele mens, gemeenschap en samenleving bepaald en begrensd.

ARTIKEL 12, De internationale rechtsorde
[Index] [Top] [Vorige]

Het streven naar een internationale rechtsorde, waarin de rechten van de mens worden geëer- biedigd, is van doorslaggevende betekenis voor vrede in vrijheid en moet worden bevorderd door bondgenootschappelijke samenwerking tussen landen die dezelfde doeleinden beogen, en door deelneming in het werk van internationale organisaties. Liberalen in de gehele wereld werken daarbij zoveel mogelijk samen ter verwezenlijking van hun beginselen.

Ontwikkelingssamenwerking is gericht op het bevorderen van vrijheid, in de eerste plaats in materieel opzicht, heeft op langere termijn ten doel de zelfstandige kracht van de mensen in de ontwikkelingslanden te versterken en geeft blijk van de liberale geest van broederschap.


Vastgesteld door de algemene vergadering te Nijmegen (55e), Rotterdam (56e) en Enschede (57e) op respectievelijk 30 en 31 mei, 29 en 30 augustus en 5 en 6 september 1980. De algemene vergadering te Venlo (98e) op 23 en 24 mei 1997 heeft de beginselverklaring herbevestigd.
VVD Algemeen Secretariaat Laan Copes van Cattenburch 52 Postbus 30836 2500 GV Den Haag
Telefoon:070-361 30 61
Fax:070-360 82 76
E-mail:liberaalmanifest@vvd.nl
Website:www.vvd.nl